Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ingmar had over den brief, dien hij nu ging schrijven eiken dag gedacht, van 't oogenblik af, dat hij van huis was gegaan, niets werd daarin geschreven, dat niet vele malen was overHij was gericht aan den ouden predikant in zijn gemeente, en dacht en overwogen. Maar al was de brief aan den predikant geschreven, hij was volstrekt niet alleen aan hem bedoeld.

Op die heele reis was 't Ingmar voorgekomen, alsof hij nooit eens met zijn vrouw had uitgepraat, alsof hij haar nooit goed had kunnen zeggen, wat hij gedacht en gevoeld had, en dat hij toch nog moest probeeren haar duidelijk te maken, hoe hij het had. Hij had toen bedacht, dat de beste weg was aan den predikant te schrijven. Maar schrijven viel hem niet zoo heel gemakkelijk, 't Was hem niet gelukt zijn verlegenheid te overwinnen, die hem belette in woorden te brengen wat in hem omging. Maar dezen avond was 't hem opeens helder geworden, hoe hij schrijven moest, en hij was er blij om, en dacht: „Zie, zóó is 't niet moeilijk; op die manier kan ik het doen. Nu weet ik hoe ik 't aan moet leggen, om den predikant alles te vertellen, wat hij weten moet, om mijn voorspraak bij Barbro te zijn."

Ingmars brief luidde aldus:

„Terwijl ik hier alleen in den nacht zit te schrijven, wou ik niets liever, dan dat ik nu in de pastorie kon komen, en met dominee zelf praten. Ik wou, dat ik op een avond laat bij u komen kon, als u heelemaal stil en ongestoord in uw kamer zit, en aan uw preek denkt.

Nu verbeeld ik me, dat als u me zag, u op zou springen en bang worden, alsof er een spook aankwam.

„Wat doe je hier? Ik dacht, dat je naar Jeruzalem gegaan was," zoudt u zeker zeggen.

„Ja," zou ik antwoorden, „ik had er al haast moeten zijn, maar ik ben teruggekomen, omdat ik onderweg een verhaal gehoord heb, waar ik dominee over spreken moet."

En dan zou ik vriendelijk vragen, of u een uur of wat geduld met me zoudt willen hebben, en me een lang verhaal laten vertellen, dat me zwaar drukte, en dat ik u toevertrouwen wou. En als dominee me dat had toegestaan, zou ik zoo beginnen: Er was eens een man hier in de gemeente, die niet om zijn vrouw gaf. Dat kwam omdat hij afstand had moeten doen van iemand, waar hij van hield, en de andere had moeten nemen om zijn vaders hoeve te kunnen houden. Maar toen hij dien koop sloot, had hij alleen aan de hoeve gedacht, en hij had vergeten, dat hij een vrouw op den koop toe kreeg. En toen ze de bruiloft gevierd hadden, en in één huis woonden, wat 't nog aldoor, alsof hij niet begrijpen kon, dat dit nu z ij n vrouw was. Nooit vroeg hij zich af, hoe zij 't had, of ze tevreden was of naar huis verlangde. Ook lette hij

297

Sluiten