Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekken onophoudelijk wisselden van uitdrukking, soms door eene invallende gedachte, of een enkel woord tot haar gesproken.

Een kwartier later zaten allen in de serre, de kinderen hangend aan Willy's schoot, onophoudelijk hare aandacht tot zich trekkend.

Den geheelen dag had de warmte van den vollen zomer op de aarde gedrukt als een last van bijna niet te dragen weelde; nu, tegen zonsondergang, werd het koeler, een fijne nevel zweefde tusschen de boomen en heesters in den tuin.

„Blijf je nu heusch zes weken, tante Willy?" vroeg kleine Willem, „en is dat erg lang?"

„Ja, heel lang," antwoordde Willy lachend; „ten minste grootvader en grootmoeder vonden het maar half goed, dat ik plan had, zoo lang weg te blijven."

„Kom, kom, gekheid," viel van Voorten in; „we moeten je eens kalm bij ons hebben: je komt altijd zoo vliegerig."

Hij leunde welbehagelijk achterover in zijn' schommelstoel, langzaam zijn sigaar rookend met half-gesloten oogen.

Willy keek hem aan.

„Doe je tegenwoordig altijd een middagtukje ?" vroeg ze plotseling plagend.

Hij opende de oogen en lachte.

„Altijd niet, maar ik zit toch graag zoon beetje stil, vooral als 't overdag zoo warm is geweest. Ik verzeker je, 't was op 't kantoor om te stikken."

„Dat wil ik wel gelooven."

Willy lachte weer even; zij plaagde haren zwager graag met zijne vadsigheid en gemakzucht, trachtte altijd met hem te kibbelen, om hem wat leven in te blazen, zooals zij 't noemde.

Sluiten