Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och nee, kind, als je maar pleizier hebt." Hij zuchtte even.

„O ja, dat zal ik zeker; ik wou dat ma nu maar kwam. O wacht, ik hoor wat ruischen."

Mevrouw van Meersen was wel geschikt indruk te maken in haar toilet van zware zwarte zijde, de sleep ruischend achter haar aan.

Ze was bijna even lang als haar man, haar gezicht had scherpe, regelmatige trekken, hare oogen iets dringends en hards, dat ze echter naar willekeur kon verzachten tot welwillendheid, liefheid zelfs, als ze tot vreemden sprak, of in hun bijzijn tot haar man; er was dan in hare stem een zekere neerbuigende goedheid als van eene koningin tot haar mindere, uitvloeisel van het meerderheidsgevoel, dat ze bijna tegenover iedereen had, maar het sterkst tegenover haar man, aan wien zij toch hare geheele positie van rijke notarisvrouw dankte.

^e had altijd in Boschvoort gewoond. Haar vader was gepensionneerd kapitein en ze had in hare jeugd nooit iets gekend, wat naar weelde zweemde.

Toch was ze veel te trotsch, om in betrekking te gaan; ze deed haar best, den schijn van welgesteldheid te bewaren, steeds uitziend naar een huwelijk, dat haar op kon heffen , uit dat gehate leven van fatsoenlijke armoede.

En toen ze door haar huwelijk met notaris van Meersen werkelijk rijk was geworden, plotseling behoorend tot de eersten van het stadje, toonde ze hare tevredenheid, door te heerschen waar ze kon; men lachte haar wel uit, maar niet zoo openlijk als vroeger, men erkende hare stem in de interessante zaken, die de Boschvoortsche dames-

Sluiten