Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

serre; ze stond op, ging haastig naar binnen, waar alles haar vreemd scheen, als een droom van veel licht en bloemengeur.

Haar gezicht gloeide en haar handen beefden, maar ze deed haar best gewoon te zijn, trachtte druk te praten, ofschoon haar steeds dat gevoel van te droomen bijbleef, ook terwijl ze danste, steeds voort, telkens met een anderen mannenarm om zich heen, werktuigelijk de passen makend.

Toen kwam de lanciers met zijn kalmte van révérances en wandelpassen, en Willy voelde plotseling, dat ze moe was en naar rust verlangde. Maar ze begreep, dat ze blijven moest: Rudolf zag ze niet meer; ze kon niet heengaan zonder aanleiding tot praatjes te geven; dus bleef ze, terwijl hare vermoeidheid steeds toenam; zich dwingend tot praten aan het souper, dat druk en vroolijk was, met gegons van stemmen en geklinkklank van glazen; nu en dan stilte, terwijl een enkele stem een toast zeide, waarvan weinig tot haar doordrong.

Ze sprak weinig op den terugrit, zeide thuis dadelijk hare ouders goedennacht, omdat ze zoo moe was.

„Hè kind," vroeg mevrouw, „kom je niet bij me? Dan kunnen we nog even napraten." „Liever morgen, mama."

„Nu kleintje, 't is geen wonder, dat je moe bent," zei haarvader; „je hebt heel wat afgedanst en 't is al vier uur."

„En emoties vermoeien ook; vertel me morgen alles," fluisterde mevrouw, en lief bezorgd: „blijf maar lang liggen."

In de duisternis van hare kamer kwam de rust Willy tegemoet met wijde armen; ze liet er zich

Sluiten