Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heenschemerde, het zonlicht roodachtig schijnend op de rechte stammen.

Hij hoorde daar iets kraken, hief het hoofd op en zag een witte japon zich bewegen; snel stond hij op: hij wilde niet in deze houding door eene dame gezien worden.

Hij herkende dadelijk het jonge meisje. Hij zag haar juist zooals den vorigen dag, met bloemen in de hand, zonder hoed, een zonnestraal spelend Op het blonde haar. In zijne stemming van overmoed gaf hij toe aan eene ingeving, ging naar haar toe, en met eene buiging den hoed afnemend: „Juffrouw van Meersen".

Willy keek verbaasd op; toen, met een glimlachje, boog ze even: „Mijnheer Wardorf."

„Kent u mij?" vroeg hij verbaasd.

„Juist zooals u mij; ik veronderstel maar." Ze lachte even helder op; de ontmoeting was zoo grappig, zoo buiten alle gewone vormen.

Hij keek haar een oogenblik aan ; hij had bij van Voorten haar portret gezien, maar toen niet opgemerkt het eigenaardige van haar mooiheid, dat vooral lag in haar teint en de kleur harer oogen ; ze scheen hem nu een ander toe, iets heel moois, dat harmonieus stemde met de boschnatuur en met zijn eigen gevoel van jong-zijn.

„Ik veronderstel niet; ik weet," zeide hij. „Ik zag u gisteren met uw mama in den tuin."

„O, daarom kon ik wel eene logée zijn, of vindt u, dat ik zoo op Emma lijk? Eduard had ons geschreven, dat u een vriend van hem was."

„Dat wist ik, en daarom was ik maar zoo brutaal, u aan te spreken."

„O," zei Willy, onderwijl grassen plukkend, „de brutaliteit is zoo heel groot niet; zoo heelemaal

Sluiten