Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed, ik geloof u," zei ze gemaakt ernstig.

„Dus als we elkaar weer ontmoeten, mag ik u thuis brengen?"

„Waarom niet? Als u er roeping voor voelt."

„Foei, u denkt aan de lastige galanterie."

„Dat heeft u mis; ik zou niet weten, waarom 't een last voor u zou zijn tot huis met me samen te gaan, als 't geen last is, in 't bosch met me op te loopen."

Zijn ernst riep een zonnig glimlachje op haar gezicht.

„Juist, nu ziet u het goed," zei George haastig, want mevrouw kwam binnen.

Na een poosje kwam ook de notaris, begroette Wardorf met zijn afgetrokken glimlach, een excuus mompelend, dat hij niet thuis was, want er kwam eene vage herinnering in hem op, dat Wardorf hem Woensdag 's avonds op de sociëteit over zijn bezoek gesproken had. De heer van Meersen vergat dikwijls afspraken; terwijl ze gemaakt werden, dwaalden zijne gedachten gewoonlijk af, zoodat debeteekenis slechts flauw tot hem doordrong; hij moest hierover menige scherpe opmerking van zijne vrouw hooren.

George bleef lang; hij praatte druk, veel over van Voorten en Emma; dacht niet aan heengaan vóór de avond om was.

Toen vroeg hij aan den heer van Meersen: „Heeft u geen lust met de dames eens naar het werk te komen kijken?"

„Is daar dan al iets aan te zien ?"

„O zeker; de voorbereidende werkzaamheden, het plaatsen van de machines, en dan komt u later nog eens kijken. Zoodoende krijgt u er éen goed overzicht van. Hebben de dames lust er in?"

Sluiten