Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

Hij zag Willy weer Maandag 's middags in de kerk, bij de huwelijksinzegening van Lize Opfers met van Marle; wegens een sterfgeval in de familie waren er geen feestelijkheden bij hethuweÜjk geweest.

Willy zat er met hare moeder, ze voelde zich zenuwachtig, neerslachtig door het spreken over Emma en Eduard, en de moeite, die zij zich gegeven had, hare moeder te doen begrijpen, wat in hare oogen 't vreeselijkste was voor hen.

Mevrouw van Meersen was opgeruimd thuis gekomen; papa zou wel zorgen dat er nog wat van Eduard's kapitaal gered bleef en verder helpen door een jaarlijksche toelage. Emma en Eduard moesten wat zuiniger gaan leven, maar dat was minder, ze konden best eenige weelde missen, zonder dat iemand het hoefde te merken.

„Was Em erg bedroefd?" vroeg Willy.

„Eerst wel; ze was zoo geschrikt. Edo was, onder ons gezegd, wat ruw geweest, en Em was in de war en zenuwachtig, dus geloof ik, dat er wel hooge woorden gevalleri waren."

„Arme Eml"

„O, 't was alweer bijgelegd; die kleine twist is zoo erg niet."

„Mama, hoe kunt u 't zeggen? Harde woorden tusschen man en vrouw laten altijd een indruk na."

„Waarom? Wees toch niet zoo sentimenteel, Wil, men leert elkander bij zoo'n geval juist kennen."

„Misschien wel, maar niet van den besten kant. Ik ben het heelemaal eens met Freiligrath:

O, sorge dass dein Herze glüht, Und Liebe hegt, und Liebe pflegt."

Sluiten