Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van haar heerschzucht; ze kon niet velen, dat anderen, en vooral hare huisgenooten, een belang hadden, waar zij buiten stond.

Ze ging in den loop van den avond tweemaal naar Willy's kamer, maar vond haar telkens onbeweeglijk liggen, schijnbaar slapend, de donkere wimpers licht trillend op de gloeiende wangen.

Hare moeder was nog meer verwonderd. Hoe kon Willy slapen, als ze werkelijk groot verdriet had? Zou ze misschien toch ongesteld zijn?

Mevrouw kreeg nu toch medelijden met haar, voelde een beetje spijt, dat ze 's middags niet hartelijker was geweest.

Toen ze den volgenden morgen weer op de kamer kwam stond Willy half gekleed voor haar bed.

„Zoo Wil, al op? r}en je weer beter?"

Willy voelde zich verlegen onder haar moeders onderzoekende scherpe oogen; ze begreep, dat 't onmogelijk was, niets te laten blijken.

„Ik ben niet ziek, mama," zei ze langzaam, „maar wilt u me een pleizier doen? Let u dan zoo weinig mogelijk op me vandaag."

Er kwam even iets als voldaanheid in mevrouws oogen. Zacht boog ze zich over Willy heen, legde den arm om haar hals en fluisterde, hare stem week met iets heel liefs: „Kindje, wat is er dan? Heb je verdriet?"

Willy voelde zich weldadig aangedaan door de teederheid; ze liet haar hoofd even rusten tegen haar moeders arm, toen zei ze: „Ja, ik heb verdriet, maar ik kan 't u niet zeggen."

„Waarom niet? Praat er maar over, dat zal je goed doen."

Willy trachtte zich los te maken. „Nee mama, ik kan 't u niet zeggen," zei ze, beslist nu.

Sluiten