Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij was immers veel te groot voor dien stoel; hij hoorde daar niet in. Toen zag ze hem schreien, zijn hoofd op de leuning; hare oogen bleven droog, 'twas of ze geen gevoel had: alles scheen haar weer een droom toe, waarvan ze de beteekenis niet goed begreep; ze bleef zwijgend naar hem staan stijken, hare handen geleund op de canapétafel.

Na een oogenblik vroeg hij, zijne stem week door tranen: „Heb je mij niets meer te zeggen? Moet ik werkelijk heengaan?"

Ze knikte; hij wachtte even, toen sprong hij op, en vlak bij haar staande, zei hij dringend: „Zeg toch iets; laat me weten, wat je voelt."

„Wat ik voel?" herhaalde ze, alsof 't een moeielijke vraag was. Ze keek naar hem op, naar zijne vochtige oogen, die nu vlak bij haar waren, en de strakheid week van haar, ze kreeg een onweerstaanbaar verlangen hare armen om zijn hals te slaan, zijn hoofd naar beneden te trekken tot zijne lippen de hare raakten, maar tegelijk bijna kwam weer de angst over haar van dien nacht; ze week terug, liet zich op de canapé vallen.

Hij begreep door het instinct der liefde, wat ze dacht en wat ze leed; 't gevoel van schuld kwam weer over hem met 't onstuimige, machtelooze verlangen, het onveranderlijke te kunnen v veranderen. Hij ging naast haar zitten in een crapeaud, evenals ze hier de vorige maal gezeten hadden, toen hun geluk nog zoo mooi scheen en zeker.

„Arme Wil," fluisterde hij; „kan je niet meer van me houden?"

Hij vroeg dit nu niet voor zichzelf, maar omdat hij begreep, dat ze daardoor leed.

Willy begon nu te spreken, levendiger, met meer intonatie in hare stem.

Sluiten