Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik kan je vrouw niet worden; ik heb er den heelen nacht over gedacht, maar 't is onmogelijk; ik zou niet gelukkig zijn, nu ik dit weet van je verleden."

„Maar dat verleden is immers dood," viel hij in, „'t heeft niets blijvends nagelaten, dat verzeker ik je."

„Toch, wat je daaraan gegeven hebt, kan je

niet terugkrijgen, en dan ook ik had gedacht,

dat je anders was, en ik was gelukkig in die gedachte."

„Maar waarom ? Wat had ik gedaan, dat je mij voor een heilige moest houden?"

„Ik hield je niet voor een heilige; je hebt natuurlijk kleine gebreken, zooals iedereen, maar ik dacht, dat je jezelf te hoog stelde voor .... iets laags; 't zou immers evenmin in me opgekomen zijn, te denken, dat je wel eens oneerlijk was geweest of gestolen hadt."

„Dat is heel iets anders; ik heb altijd mijn best gedaan, eerlijk te blijven, maar ik heb 't, voor ik jou kende, nooit als zonde beschouwd de natuur te volgen."

Willy begreep hem niet.

„Dat is immers onzin," zei ze opgewonden; „als iedereen zoo ging denken, zou alles verdwijnen, wat hoog en mooi is. We hebben van nature dikwijls verkeerde neigingen . . . ."

„O ja," viel hij in, haastig, omdat hij een middel zag ter verdediging, „en die moeten we bestrijden, maar je kunt toch niet zeggen, dat de neiging die ik volgde op zichzelf slecht is. En als ze dat is, dan is ze 't altijd, en wordt niet goedgemaakt door een wettig huwelijk. Willy, je kunt toch niet meenen, dat de wet goedmaakt wat anders slecht is?"

„De wet? Nee, maar de volkomen liefde. Een

Sluiten