Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het Romeinsche Rijk.

Donatio proptcr nuptiae.

Collegia tenuio-

welke eenige overeenkomst vertoonen met onze tegenwoordige Begrafenisfondsen.

In de Romeinsche literatuur vinden wij meer dan één rechtsgebruik en instelling uitvoerig beschreven, die overeenkomst vertoonen met onze tegenwoordige Instellingen van Voorzorg.

Uit de Latijnsche rechtsliteratuur is ons het bestaan bekend der zoogenaamde „donatio propter nuptias", d. i., vertaald, een „schenking wegens het huwelijk". Dit kwam hierop neer, dat de man vóór het huwelijk aan de vrouw een zekere som gelds ter hand stelde als bijdrage in de kosten van het huishouden, maar bovendien als een soort van fonds om het gezin te onderhouden, wanneer de man daartoe niet meer in staat zou zijn. Het schijnt trouwens, dat dergelijke instellingen nog bij andere volkeren in de Oudheid bestonden. Zeker weten wij dit van de Galliërs, en reeds Julius Caesar heeft op zijne veroveringstochten onder deze een gewoonte in zwang gevonden, die hij in zijne kronieken over den Gallischen oorlog aldus beschrijft: „Een som gelds, naar schatting overeenkomende met den bruidsschat, dien de man van de vrouw ontvangt, „wordt door den man uit zijne eigene middelen aan dien bruidsschat „toegevoegd. Deze geheele som wordt als één fonds beheerd en de interest daarvan opgespaard; aan den overlevende van beiden valt dan „dit geheele fonds toe, met den daarvan gekweekten interest." Het is zeker merkwaardig dat onder een nog onbeschaafd volk als de Galliërs ten tijde van Caesar, dergelijke maatregelen van voorzorg in zwang waren.

Na Christus' geboorte ontstonden er onder de dwingelandij der Romeinsche Keizers, uit behoefte aan aanéénsluiting tegenover onderdrukking, op verschillend gebied vereenigingen van personen uit de minder gegoede klasse, ja zelfs van slaven, die door samenwerking trachtten te verkrijgen wat voor individueele krachtsinspanning onbereikbaar was. Daaronder waren het de zoogenaamde „Collegia tenuiorum" (d. i. „Vereenigingen van lieden uit den minderen stand"), die een zeer groote overeenkomst vertoonden met onze tegenwoordige Begrafenisfondsen. Van eenige dezer vereenigingen zijn de Statuten (als ik dit woord gebruiken mag) behouden gebleven, en daaruit blijkt, dat men tegen een entrée (zooals men tegenwoordig zeggen zou) van 100 Sestertiën (+/10) en een maandelijksche contributie van 5 Asses (+ƒ0.25) lid worden kon. Voorts verlangden de voorschriften van het hier bedoelde collegium, dat van het jaar 133 na Chr. dateert, van ieder nieuw-toetre-

1*

Sluiten