Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in nauw verband te staan met het tot dusver behandelde. Ik bedoel het karakter, de bestemming en de vorming der zoogenaamde „reserve". Daaromtrent heerschen onder het publiek de allerzonderlingste opvattingen, en ik zou ook niet met zekerheid durven beweren, dat elke Agent van iedere Levensverzekering-Maatschappij op dit punt volkomen heldere begrippen heeft. Leeken stellen zich gewoonlijk voor, dat de reserve eener Levensverzekering-Maatschappij een fonds is, dat apart gelegd wordt, teneinde er de verschuldigde uitkeeringen uit te betalen. De naam „reserve" zal ook wel het zijne hebben bijgedragen tot het ontstaan dier onjuiste voorstelling.

In het dagelijksch leven toch verstaat men onder „reserveeren" het afzonderen van bepaalde waarden-, teneinde die bij latere gelegenheden, telkens wanneer ze noodig mochten blijken,-aan te spreken. Van dien aard zijn ook de fondsen, die de meeste Maatschappijen vormen onder den naam van extra-reserve, reserve voor geldbelegging, enz. Geheel iets anders is echter de zoogenaamde Premie-reserve eener Levensverzekering-Maatschappij .

Het zal velen wel eens opgevallen zijn, dat van alle Levensverzekering-Maatschappijen, die zich in een bloeienden toestand mogen verheugen, de reserve telken jare toeneemt, en dat wel, niettegenstaande alle schadeposten steeds geregeld betaald worden. Daaruit zou men de conclusie kunnen trekken, dat al het geld, dat van de inkomsten eener Maatschappij in de reserve gestort wordt, evengoed in den zak der verzekerden had kunnen blijven; waartoe dient het, dat fonds telkenjare weder met een bijdrage te stijven, terwijl men tóch reeds aan alle verplichtingen voldoet en zelfs nog winst overhoudt?

Deze redeneering heeft inderdaad een schijn van juistheid. Toch zou zij zelfs dan niet opgaan, wanneer een Levensverzekering-Maatschappij er zeker van was, nimmer tot een vermindering van haar reserve verplicht te zijn; moge zij ook de reserve intact kunnen laten, zij kan de daarvan gekweekte rente niet missen. Bovendien kan haar reserve slechts zóólang intact blijven, als de nieuwe inkomsten uit nieuwgesloten verzekeringen in elk opvolgend jaar de vervallende bij dragen uit de in datzelfde jaar geëindigde verzekeringen blijven overtreffen. Is dit echter niet meer het geval, en houdt die toestand eenigen tijd aan, dan kan elke Maatschappij in een zóódanige positie komen, dat zij een faillissement niet zou kunnen ontgaan, indien zij niet in het bezit ware van een reservefonds. Geen Maatschappij ter wereld kan zeggen, dat haar vooruitgang eeuwig

Sluiten