Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het deelen in de winsten bij Onderlinge Maatschappij en.

Het deelen in de ^'inateii bijNaamlooze Vennootschappen.

breiding krijgen moet. Maar wèl geloof ik de plank niet ver mis te slaan, wanneer ik beweer, dat het onderlinge systeem meer berekend is op het werken in engen kring, terwijl de Naamlooze Vennootschap meer is ingericht met het oog op een voorgenomen groote uitbreiding.

Uit het feit, dat, na aflossing van het waarborgfonds eener Onderlinge Maatschappij, aan geene aandeelhouders meer iets uitgekeerd behoeft te worden, volgt tevens, dat de uit het bedrijf voortvloeiende winsten dan — maar ook niet eerder — geheel aan de verzekerden zullen ten goede komen, 't geen trouwens ook in de rede ligt, daar de verzekerden zeiven hier die eigenlijke ondernemers zijn, en hun dus de ondernemerswinst toekomt. Evenwel moeten, mét de lusten, ook de lasten op zich. genomen worden, en men mag de oogen er niet voorsluiten, dat eventueele verliezen ook op de verzekerden zouden moeten verhaald worden. Ik stem echter onmiddellijk toe, dat in de practijk daaraan voor de verzekerden slechts weinig gevaar verbonden is. Dat dit gevaar niettemin bestaat, bleek voor eenige jaren in Oostenrijk, waar het aan het licht kwam, dat een groote Onderlinge Maatschappij, door jarenlang wanbeheer, plotseling voor een verlies van meer dan één millioen florijnen stond! Er werd toen als eenig redmiddel voorgesteld, de verzekerde bedragen allen met 20 % te verminderen. Hier betaalden dus uitsluitend de verzekerden het gelag! Ware deze Maatschappij een Naamlooze Vennootschap geweest, dan zouden de aandeelhouders in ieder geval voor een deel van het verlies zijn opgekomen. Ook in Duitschland heeft zich een soortgelijk geval voorgedaan.

Meer en meer hebben ook de Naamlooze Vennootschappen, die het bedrijf der Levensverzekering uitoefenen, de gewoonte aangenomen, van .de winsten, die het bedrijf oplevert, een deel — meestal zelfs het grootste deel — aan hare verzekerden uit te keeren. Hoewel dus de aandeelhouders ophouden de eenige gerechtigden op die winst te zijn, vervalt daardoor geenszins de theorie, dat zij, als ondernemers, recht hebben op de ondernemerswinst. Er zijn echter motieven, die het begrijpelijk maken, dat zij voor een deel van dat recht afstand doen en ook den verzekerden een aandeel in de winst gunnen. Deze motieven zijn de volgende:

Behalve van de meerdere of mindere spaarzaamheid, énergie en kennis, waarmede de onderneming geleid wordt, zijn de winsten afhankelijk van twee oorzaken, die, in het algemeen, ontsnappen aan eiken

Sluiten