Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Principieel onderscheid tusschen Naamlooze Vennotschappen enOnderlinge Maatschappijen.

beide groepen van personen verdeeld, in verhouding van hunne bijdragen tot het gezamenlijk vermogen waarvan men rente kweekt, d. w. z. in verhouding van het gestorte deel van het maatschappelijk kapitaal tot de reserve. Sommige Maatschappijen kennen alleen verzekeringen met aandeel in de winst, andere bieden hunnen verzekerden de gelegenheid, tegen een premiereductie van het recht op aandeel in de winst afstand te doen, enz. Er opent zich hier een ruim veld voor de concurrentie der verschillende Maatschappijen, waarop ik later nog terug zal komen, wanneer ik meer in het bizonder over de hedendaagsche concurrentie handelen zal.1)

Het wordt meer en meer gebruikelijk te spreken en te schrijven, alsof de verzekerden bij Naamlooze Vennootschappen heel wat te kort komen door het uitkeeren van dividenden aan de aandeelhouders. Zeker, overdrijving in deze is voorgekomen en komt nóg voor (in het bijzonder bij die Maatschappijen, die de winst halveeren tusschen aandeelhouders en verzekerden), maar het gaat niet aan hier te generaliseeren,, te minder waar in verreweg de meeste gevallen die klachten over onbehoorlijke bevoordeeling der aandeelhouders overdreven blijken. Nemen we een voorbeeld uit de practijk.

Eene Maatschappij heeft een maatschappelijk kapitaal van / 1.000.000, maakt in eenig jaar een winst van / 300.000 en keert over het verplicht gestorte deel van het maatschappelijk kapitaal (zijnde / 250.000) een dividend uit van 10%. Men zal moeten toegeven, dat in deze cijfers niets abnormaals gelegen is. Welnu: wanneer men de normale rente op 4 % stelt, is de extra-rente, die den aandeelhouders uit de winst wordt toebedeeld dus niet meer dan 6 %, of, over / 250.000: ƒ 15.000. Van de totale winst ad / 300.000 wordt dus slechts een twintigste gedeelte den aandeelhouders als extra-uitkeering toegekend. Het valt dus moeielijk, de vaak in het algemeen en meestal niet in elegante bewoordingen uitgesproken bewering, „dat bij Naamlooze Vennootschappen de aandeelhouders op kosten der verzekerden worden vetgemest" tc onderschrijven.

Tot dusverre gaf ik hoofdzakelijk practische punten van onderscheid aan tusschen Naamlooze Vennootschappen en Onderlinge Maatschappijen. Deze allen zijn het gevolg van dit groote principieele onderscheid:

*) Zie Tiende Hoofdstuk, III, „Concurrentie in Winstuitkeeringen".

Sluiten