Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een concurreerende Maatschappij, waar hij meent billijker behandeld te zullen worden, aan te bieden.

Maar vervalt dit bezwaar niet, wanneer het vast staat, dat inderdaad geen enkele Agent de hand erin gehad heeft, den verzekeringscandidaat tot het aanvragen eener verzekering te bewegen? M. i. in geenen deele. In de eerste plaats zal het in de meeste gevallen volstrekt onmogelijk zijn, met zekerheid te weten, dat er inderdaad geen Agent in de zaak betrokken is geweest. Het is nooit uit te maken, of de man, die, hoewel hij geen Agent is, zoo nadrukkelijk voor zichzelven het Agenten loon verlangt, wel in alle deelen de waarheid huldigt, wanneer hij zegt, dat hij met geen Agent in onderhandeling is geweest, en of niet, wanneer hem eenmaal de provisie is uitbetaald, zich later een Agent zal komen aanmelden, die terecht op die provisie aanspraak maakt. Alleen de mogelijkheid van dit geval moet een Directie reeds weerhouden van het toekennen van het Agentenloon aan niet-Agenten!

Tegenover het publiek ligt daarin niets onbillijks: zoolang er nog Agenten noodig zijn, om voor de zaak in het algemeen propaganda te maken en het publiek tot verzekeren bij .een bepaalde Maatschappij te bewegen, zóólang moet er in de premie een element voor Agentenloon begrepen zijn. En wanneer men hen, die, misschien door geheel toevallige omstandigheden, in de gelegenheid zijn, zich direct tot de Maatschappij te wenden, bevoordeelt boven diegenen, welke dat doen doormiddel van een Agent, begaat men tegenover die laatste categorie van personen inderdaad een onbillijkheid. Het is verklaarbaar en wenschelijk, dat het publiek meent, zich even goed tot den Agent als tot de Maatschappij zelve te kennen wenden. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan ontneemt men den Agentenstand zijn prestige, en de Maatschappij, die zich daarvoor niet wacht, werpt hare eigene glazen in.

En hier kom ik op het grootste bezwaar tegen het uitkeeren van provisie aan niet-Agenten, grooter nog dan de kans om tegenover sommige Agenten individueel onbillijk te zijn; ik bedoel de zekerheid, dat men er, in het algemeen, den geheelen Agentenstand door benadeelt.

Later hoop ik nog uitvoerig te handelen over het gevaar, dat erin gelegen is, wanneer de Agent zelf zijn eigene provisie aan den door hem verzekerde geheel of gedeeltelijk afstaat1). Dat gevaar ligt, behalve in het in de hand werken van het zoogenaamde „uitspannen", vooral

') Zie Tiende Hoofdstuk, II, „Afstaan van provisie door Agenten aan verzekerden".

9*

Sluiten