Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het feit, dat daardoor bij het publiek de overtuiging ontstaat, dat het recht heeft op een deel der provisie, zoodat een zijner eerste eischen bij het afsluiten eener verzekering worden zal: mij een deel van de provisie. Daardoor wordt den Agent onthouden wat hem toekomt; hij moet naar andere middelen omzien, om te verdienen wat hij noodig heeft, is soms in de keuze dier middelen minder kieskeurig, vervalt tot kwade practijken, — resultaat: een algemeen verval van den Agentenstand! Ik constateer uitdrukkelijk, dat ik hier niet overdrijf, en dat men in het buitenland dien loop der gebeurtenissen dikwijls heeft kunnen waarnemen. Vandaar ook, dat de maatregel van sommige Maatschappijen, aan hare Agenten het afstaan der provisie te verbieden, in het belang van den Agentenstand zoozeer is toe te juichen. Maar zulk een maatregel zou zijn doel geheel missen, wanneer de Maatschappij zelve aan niet-Agenten provisie uitkeerde. Nog veel meer dan wanneer de Agenten zulks doen, zou daardoor het publiek tot de overtuiging komen, dat het niet meer dan billijk is, wanneer het provisie ontvangt! Nog veel algemeener zou dan de eisch van den verzekeringscandidaat tegenover den Agent worden: „Ik wil mij door Uw bemiddeling verzekeren, mits ge mij provisie afstaat!" En wanneer de Agent dit dan weigerde, zou hij allicht vernemen: „Goed, dan wend ik mij „direct tot Uw Maatschappij. Dan ben ik er zeker van, provisie te ontvangen!"

Men ziet dus, hoezeer zulke Maatschappijen èn hunne eigene Agenten èn den geheelen Agentenstand benadeelen.

Alles, wat ik hier aanvoerde, wordt vrij algemeen ingezien1); maar, al ziet men het in, men houdt het wel voor theoretisch heel fraai, doch in de practijk niet door te voeren! Aan een votum der Vereeniging voor Levensverzekering, dat met algemeene stemmen het uitkeeren van provisie aan niet-Agenten als ongewenscht kenmerkte, kan men dan ook (zelfs al mocht het voor den Agent een uitspraak vormen, waarop hij zich met vrucht tegenover provisiebegeerende candidaten beroepen kan) hoofdzakelijk slechts een theoretische waarde toekennen. Dit is

J) Deze uitspraak is gegrond op eene uitgebreide correspondentie over dit onderwerp, ook met buitenlandsche vakmannen. De meeste zagen in het afstaan der provisie „den kanker", die aan ons bedrijf knaagt. Curieus is het, hoe elk land in deze de schuld op een ander werpt, ,,'t Zou bij ons nooit zoover gekomen zijn, als men er in dit of dat land niet mede begonnen was" — heet het dan. Maar dat andere land zoekt de bakermat van het kwaad ook alweer elders — misschien wel juist in het eerstel

Sluiten