Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te bewijzen, welke voornamelijk de verzekeringsidée bij verschillende volken heeft wakker geroepen. Reeds toen ik over de Geschiedenis der Levensverzekering sprak, maakte ik melding van verschillende instellingen, zelfs in de Oudheid, die veel overeenkomst vertoonden met onze tegenwoordige Begrafenisfondsen1); en men kan dan ook wel zeggen, dat zich het bedrijf der eigenlijke Levensverzekering ontwikkeld heeft uit dat der Begrafenisfondsen. Immers, reeds spoedig onderging het oorspronkelijke doel eenige uitbreiding. Waar eerst uitsluitend sprake was van het verzekeren van de begrafenis zelve, om zoo te zeggen „in natura", werd dit weldra uitgebreid tot het betalen van een vaste geldsom tot dekking der begrafeniskosten, ja ging men, vooral in de Middeleeuwen, reeds zóóver, dat men ook nagelaten weduwen geldelijk ondersteunde. Al die Vereenigingen waren gebaseerd op onderling hulpbetoon; niemand dacht er nog aan, daaruit een bedrijf te maken, dat winstgevend worden kon. Er was in één woord nog geen sprake van een handelsonderneming. Bovendien bleven dergelijke instellingen langen tijd een onderdeel vormen van de Gilden; aan elke Gilde was voor hare leden zulk een sterftekas verbonden. Wij zagen reeds, dat juist de afscheiding van die sterftekas en de deelneming daaraan ook van niet-leden der Gilden, aanleiding gaven tot de zelfstandige ontwikkeling van het bedrijf der Levensverzekering. Zoodra echter die zelfstandige ontwikkeling een aanvang had genomen, deed zich ook de behoefte gevoelen aan een wetenschappelijke regeling, en aan die behoefte, waarin door de ontdekking van de sterftewetten voorzien werd, heeft de moderne Levensverzekering, en daarmede de moderne Levensverzekering-Maatschappij, haar bestaan te danken. Wij weten echter, dat de wetten der Wetenschap, nadat men ze had leeren kennen, niet onmiddellijk in toepassing werden gebracht, doch dat (speciaal in ons vaderland) nog eeuwen lang „Weduwenkassen" en dergelijke instellingen verrezen, die onherroepelijk ten ondergang gedoemd waren. Zeer zeker waren er daaronder vele — men mag gerust aannemen het meerendeel! —, die met de beste bedoelingen werden opgericht, in het begin ook werkelijk zeer goed liepen, maar waarbij men dan in de eerste vette jaren, in alle onschuld, de aanzienlijke overschotten verdeelde, zoodat, wanneer eenmaal de magere jaren, de jaren der uitkeeringen kwamen, de finantieele krachten te

L) Zie blz. 3, v.v.

Sluiten