Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dergelijke ondernemingen vertoonen een nauwe verwantschap met onze Hollandsche Begrafenisfondsen!), en die verschillende instellingen ook bij verschillende Wetten geregeld zijn1). En wel verre van schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden, verkeert het levensverzekeringswezen daar in zeer bloeienden toestand] De werking dier beide wetten op de Levensverzekering-Maatschappijen eenerzijds en anderzijds op de „Industrial Societies", „Friendly Societies" (of hoe men ze daar anders noemt), is in alle opzichten gunstig te noemen. Men kan gerust zeggen, dat in geen land ter wereld beide instellingen, LevensverzekeringMaatschappijen èn Begrafenisfondsen, in bloeiender staat verkeeren dan in Engeland. Waarom zouden wij ons niet aan dat voorbeeld spiegelen ?

Het is te hopen, dat het wenschelijke eener afzonderlijke Wetgeving op beide bedrijven algemeen zal worden ingezien.

Het Wetsontwerp op het bedrijf der Levensverzekering in Nederland, in het jaar 1899 door een Staatscommissie gepubliceerd, bevatte" een gelijktijdige regeling van beide bedrijven. Het oorspronkelijke mandaat dezer Commissie, dat alleen betrekking had op het voorbereiden van een Wet op de Begrafenisfondsen, werd later tot de Levensverzekering-Maatschappijen uitgebreid. Her resultaat was een bonte mengeling van voorschriften, waarvan sommige op beide, andere slechts op één van beide bedrijven van toepassing konden zijn. Het onpractische van eene regeling bij één en dezelfde Wet is door dit Wetsontwerp ten volle aangetoond. Gemeenschappelijke regeling van dikwijls uitéénloopende belangen is voor Begrafenisfondsen en Levensverzekering-Maatschappijen even ongewenscht.

!) Levensverzekering-Maatschappijen door de „Life Assurance Companies Act, 1870" en de daaraan toegevoegde aanvullende Wetten van 1871 en 1872; Friendly Societies door de „Friendly Societies Act, 1875"; Industrial Societies door de „Industrial and Provident Societies Act, 1876".

Sluiten