Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

)ving aatsenm de

Ij. • Ouaantaatbaar-

rrid Tan «et

„*ch-t van den bezigde op het d^ekerde be-

den

berze-

bi.i »fi-or-

deze door den dood van den verzekerde opeischbaar wordt. Van dat oogenblik af wordt zijn recht in elk geval onherroepelijk, omdat de eenige persoon, die het hem ontnemen kon, dan de beschikking daarover verloren heeft. Want door dat overlijden is het recht op een toekomstig voordeel voor den begunstigde een recht geworden op een onmiddellijk verschuldigde, bepaalde geldsom, die thans tot zijn vermogen behoort, en die niemand hem meer willekeurig ontnemen kan. Bovendien zijn in verreweg de meeste gevallen verzekeringnemer en verzekerde één en dezelfde persoon, zoodat bij diens overlijden van herroepen in het geheel geen sprake meer zijn kan.

Toch is het zeer goed mogelijk, dat bij het overlijden van den verzekerde het recht van den begunstigde in botsing komt met de vermeende rechten van één of meer derde personen, die geheel buiten de verzekering staan.

Als een der meest voorkomende gevallen noem ik b.v. de omstandigheid, dat de verzekerde — tevens verzekeringnemer — in staat van faillissement komt te overlijden, en dat zijne crediteuren aanspraak maken op het verzekerde bedrag, als vallende in dert boedel van den overledene.

Indien men dezen eisch inwilligde en in dit opzicht het recht van den begunstigde aantastbaar achtte, zou het geheele doel, het geheele motief van de Levensverzekering vervallen. En dit is zoo in het oog loopend, dat niet alleen de publieke opinie — die in dit geval (bij uitzondering waar het onderwerpen geldt, die met Levensverzekering in verband staan) het eens aan het rechte einde heeft, omdat het publiek zich in zijne wèlgevestigde rechten bedreigd ziet —, dat niet alleen de publieke opinie, maar ook de rechtsspraak zich tegen zulk een opvatting verklaard heeft. Deze kan ook onmogelijk in de bedoeling gelegen hebben van denzelfden Wetgever, die b.v. van militaire en burgerlijke Ambtenaren een gedwongen bijdrage eischt voor een Pensioenfonds voor weduwen en weezen. Zeer overtuigend is hieromtrent een betoog van Mr. Van Lookeren Campagne, wiens academisch proefschrift in mijne oogen een der besté geschriften is, die op juridisch gebied in beknopten vorm over Levensverzekering handelen. Ziehier wat hij zegt over de zooeven aangeroerde kwestie: „Zou de wetgevende „macht er een oogenblik aan gedacht hebben, dat, toen ze betreffende „dit punt (de pensioenregeling) hare voorschriften gaf, er zoodoende „niet alleen werd gezorgd voor de materieele belangen der nagelaten

Sluiten