Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„betrekkingen, maar ook voor die van eventucele schuldeischers? „Denkt er thans iemand aan, dien schuldeischers eenig recht toe te „kennen op die fondsen? Ik ben van het tegendeel overtuigd, en toch, „wat zijn deze Weduwen- en Weezenfondsen anders dan gedwóngen „Levensverzekeringen? Stort ook hier niet de Ambtenaar jaarlijks „zijne bijdragen, tegen vergoeding waarvan de Staat, als verzekeraar „optredende, bij het overlijden van den Ambtenaar verbonden is, aan „de weduwe een zeker bedrag uit te keeren? Het is waar, de omstandigheden hebben wijzigingen aangebracht, maar het beginsel is onveranderd gebleven. Welnu, wanneer men mag aannemen, dat niemand „geneigd is den schuldeischers te veroorloven, dat zij hunne vorderingen „verhalen op de pensioenen van weduwen en weezen, dan geloof ik „te mogen constateeren, dat de maatschappelijke verschijnselen wijzen „op een opvatting, die noodzakelijk ten nadeele van de schuldeischers „moet uitvallen."

Tot zoover dit betoog dat aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat. Vooral dient men erop te wijzen, hoezeer de onaantastbaarheid van het recht op de verzekerde som in overeenstemming is met de rechtsbeginselen, die het contract van Levensverzekering beheerschen. Wij hebben reeds gezien, dat de verzekeringnemer gedurende het bestaan der verzekering nooit eenig recht hebben kan op de verzekerde som, doch dat de begunstigde ook dan reeds een recht op de toekomstige uitkeering heeft, zij het ook dat dit recht dikwijls weder herroepen worden kan, en in ieder geval eerst kan worden uitgeoefend na den dood van den verzekerde. Dat recht, dat nimmer aan den verzekeringnemer toekomen kan, valt dus na zijn dood ook niet in zijn boedel, en de begunstigde verkrijgt zijne rechten op de verzekerde som niet bijwijze van erfenis („jure hereditario" zeggen de juristen), doch eenvoudig ten gevolge van de overeenkomst, door den overleden verzekerde met de Maatschappij afgesloten. Die verzekerde som behoort dus niet tot de nalatenschap; zij heeft nimmer tot het vermogen van den verzekeringnemer behoord, en door zijn overlijden komt zij onmiddellijk in het vermogen van den op dat oogenblik begunstigde. Er is derhalve hier geen sprake van een opvolger van den begunstigde in rechten van den verzekeringnemer, doch alleen van een actueel worden van een sluimerend recht van den begunstigde.

Daaruit volgt, in de eerste plaats, dat zonder een uitdrukkelijke Wetsbepaling in dien zin, over de verzekerde som, die den begunstigde

Sluiten