Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooals wij reeds zagen, verkrijgt de begunstigde de verzekerde som niet bij wijze van erfenis, daar zij niet tot den boedel des erflaters behoorde. Daaruit volgt, dat er nooit sprake zijn kan van eenig recht van de legitimarissen op die verzekerde som, want zij kunnen nooit eenig nadeel ondervinden uit de toewijzing aan een ander van een som, die nooit tot het vermogen des erflaters behoord heeft. Zoo ze werkelijk nadeel geleden hebben, kan dit alleen ontstaan zijn uit de betaling der premiën, want deze zijn uit den boedel des erflaters gevloeid; en slechts die premiën, hetzij in haar geheel, hetzij voorzooverre zij inbreuk maakten op een wettelijk erfdeel, kunnen in aanmerking komen om in den onder de erfgenamen te verdeelen boedel teruggebracht te worden (inbreng). Deze bepaling, hoe logisch ook, komt, voorzooverre mij bekend, alleen voor in het Rumeensche Wetboek van Koophandel.

Naar mijn meening behoort zulk een voorschrift in elke Wetgeving thuis. Ontkenden wij dit recht van den benadeelden legitimaris, wij zouden voor eiken erflater de deur open stellen om de bepalingen omtrent het wettelijk erfdeel tot een wassen neus te maken, door één of meer der legitimarissen te bevoordeelen boven de anderen. Hij zou dit b.v. doen kunnen, door tegen een zéér groote premie-in-eens een verzekering ten behoeve van enkelen hunner te sluiten.

Het zou echter mogelijk kunnen zijn, dat de som der premiën, die in den boedel teruggebracht moeten worden, het verzekerde kapitaal overtrof. Voor dat geval zou de Wetgever goed doen te bepalen, dat nimmer méér dan het verzekerde kapitaal ingebracht behoeft te worden.

In de practijk komt de door mij verdedigde opvatting hierop neer, dat alleen dan aan benadeelde legitimarissen het recht kan worden toegekend, van de betaalde premiën inbreng te eischen, wanneer en voor zooverre als die voldaan zijn uit het vermogen, het kapitaal van den verzekeringnemer, doch dat hun dat recht ontzegd moet worden, wanneer de verzekeringnemer de premiën uit zijn inkomen voldeed. Aan legitimarissen toch kan nimmer het recht worden toegekend, beschikkingen, door den erflater tijdens zijn leven omtrent zijne inkomsten gemaakt, a posteriori te niet te doen. Door zulke uitgaven kan een legitieme portie nimmer worden aangetast.

Herhaaldelijk zijn er rechterlijke beslissingen in dezen zin gevallen.

Nog eens wensch ik er uitdrukkelijk op te wijzen, dat door het recht van den benadeelden legitimaris op inbreng van premiën niet te kort gedaan wordt aan de. onaantastbaarheid van het recht van den be-

18

Sluiten