Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

''oatoijfers als '«me-middel.

Er zijn Maatschappijen, die zich alle moeite geven, er in dit opzicht voor hare verzekerden recht smakelijk uit te zien. Hare Directiën verkondigen in advertentiën en prospectussen, dat zij 50%, 60% en meer, ja zelfs de geheele winst (dit laatste natuurlijk alleen bij Onderlinge Maatschappijen) aan hare verzekerden uitkeeren. Dergelijke publicatiën behooren gerangschikt te worden onder die categorie van reclame-middelen, die niet ongeoorloofd, niet „unfair" zijn, maar waaraan men geen te groote beteekenis hechten moet.

Immers toonde ik zooeven aan, dat onder gelijke omstandigheden de meeste Maatschappijen ongeveer dezelfde resultaten zullen behalen, niet elke Maatschappij bestempelt met den naam van „winst" dezelfde zaak. Daar zijn er, die van het overschot, dat haar bedrijf haar laat, eerst allerlei bedragen aftrekken, en de rest „winst" noemen. Daar zijn andere Maatschappijen, die dat geheele overschot met den naam van „winst" bestempelen. Bij gelijke resultaten kan 50 % van de „winst" bij die laatste Maatschappijen meer zijn dan 60%, van de „winst" bij de eerst bedoelde. Toch maakt 50% tegenover de buitenwereld een minder mooi effect dan 60%!

Laten we er dus maar rond voor uitkomen, dat we hier voor een zuiver reclame-middel staan, d.i. voor iets, dat bestemd is om het publiek te trekken, om,te schitteren, doch dat, waar het de waardeering van de den verzekerden geboden voordeelen betreft, slechts een zeer geringe waarde heeft.

Geen eigenlijk concurrentie-middel dus, want een concurrentiemiddel is iets, dat gunstig afsteken moet, wanneer men het met het daarmede overeenkomende bij andere Maatschappijen vergelijkt. En juist zoodra men de bedoelde cijfers ter vergelijking met andere Maatschappijen gaat bezigen, komt men op verboden terrein, want elke daarop gebaseerde vergelijking kan niet anders dan onzuiver zijn. Hoewel ik mij dus voorstellen kan, dat er Maatschappijen zijn, die dergelijke cijfers als reclame-middel, als „lokvink" gebruiken, en een dergelijke handelwijze, zonder ze nu bepaald toe te juichen, toch geenzins veroordeelen kan — elke Directie moet voor zichzelvc weten, wat ze in deze doen of laten wil —, meen ik het gebruik maken daarvan als concurrentie-middtl te moeten veroordeelen. Aangezien echter datgene, wat door de Directie als reclame-middel bedoeld wordt, door de Agenten al heel licht als concurrentie-middel wordt opgevat en als zoodanig gebruikt, wordt door het annonceeren van cijfers, in den geest der

Sluiten