Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om het onjuiste van dergelijke redeneeringen te doen inzien, wil ik, op gevaar af van kinderachtig te worden, een sprookje vertellen.

Daar was voor vele eeuwen eens een Koning, die heerschte over een uitgestrekt Rijk. In het westelijke deel daarvan, dat aan de zee grensde, woonde een vreedzaam volk, dat hard werkte en veel geld verdiende. Maar de Koning had ook veel geld noodig, om het oostelijke deel van zijn Rijk te beschermen tegen zijne naburen; en daarom hief hij drukkende belastingen van de arbeidzame bevolking in het Westen. Met zijne onderdanen uit het Oosten, die wilder en krijgszuchtiger waren, trok hij dan ten strijde. Want hij was een trotsch man, die zichzelven den eersten onder de Koningen en zijn volk het eerste onder de volkeren achtte. Wat van buiten kwam, achtte hij uit den booze en elke buitenlander was in zijne oogen een natuurlijke vijand. Zoo was er op de oostelijke grenzen voortdurend krijg, en het volk was er arm, maar krachtig; en in het Westen werd veel en hard gewerkt, en daar werd het geld opgebracht voor de aanhoudende oorlogen van den Koning.

Toen de oude Vorst zijn einde voelde naderen, riep hij zijne beide zonen tot zich en sprak hen aldus toe: „Zie, ik ben oud en het strijden „moede; meer dan een halve eeuw heb ik tegen de gevloekte-vreemden „gekampt, en nóg laten zij mij niet met rust en trachten zij mijn Rijk „binnen te dringen, om zich vet te mesten aan het graan van mijne „akkers en het vee van mijne weiden. Maar ik wil, dat na mijn dood „tenminste één mijner kinderen de rust zal genieten, waarnaar ik tevergeefs verlangd heb, en dat hij in zijn Rijk ongestoord en in weelde „zal kunnen leven, zonder dat vreemde indringers hem bedreigen. „Aan U, Quies, mijn oudsten zoon, schenk ik het westelijke deel van „mijn Rijk, de landen aan de zee: ge zult daar een gelukkig heerscher „zijn, want ge zult rust hebben op Uwe grenzen, waar het Rijk van Uwen „broeder begint! Gij, Impulsus, zult het oostelijke deel erven. Daar „zult ge de muur zijn, die Uwen broeder van de vreemden scheidt, „en ge zult Uw Rijk besturen, zooals het U goed dunkt."

Toen stierf de Koning, en zijne zonen waren zeer bedroefd, hoewel zij nu Koningen waren. En Quies beklaagde zijn broeder, die in het oostelijke deel van het Rijk heerschen zoude; maar Impulsus zeide: „Beklaag mij niet, broeder! Geniet gij de rust, waarvoor onze vader „gestreden heeft; mij wacht de arbeid en misschien de strijd. Maar „ik benijd U niet, want ik heb mijn erfdeel liever!" — En daarop nam hij afscheid en vertrok naar de oostelijke grenzen.

Het sprookj de twee Kt gen.

Sluiten