Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zware belastingen heffen, die zijne schatkamers meer en meer vulden; het ging hem naar den vleesche goed, hij werd dik en vet en deed geen vlieg kwaad. Maar tot zijn verwondering nam zijn populariteit niet toe, hoewel hij zijnen eenvoudigsten dienaar met goedheid behandelde. Hij wist niet, dat men onder het volk morde, waarom hij steeds zulke hooge belastingen hief, en waarom het goud in zijne schatkamers, dat hem en zijn omgeving weelde en overvloed schonk, steeds meer moest aangroeien, terwijl het volk, dat het toch opbracht, ervan verstoken bleef. Wèl wist hij, dat zijne onderdanen hem niet meer toejuichten, als weleer. Zij gingen stil hun gang, afgestompt in de sleur van het dagelijksch leven, en riepen niet meer: „Lang leve de Koning!", als hij voorbij reed. Dat deed hem hartelijk leed.

Middelerwijl bereikten hem donkere geruchten van wat er in het Rijk zijns broeders voorgevallen was. Hij hoorde, dat daar vreemdelingen woonden en den bewoners het brood uit den mond namen! Dat bedroefde hem: zijn broeder had niet ontrouw mogen worden aan de denkbeelden huns vaders. En toen men hem vertelde, dat zelfs in het paleis van zijn broeder vreemdelingen ontvangen werden, besloot hij de verre reis naar het Oosten te ondernemen, om den onvoorzichtigen Koning tot rede te brengen. Hij begon zijn reis met een talrijk gevolg te paard, maar hij was dik en vadsig geworden en moest zich reeds na één dag in een draagstoel laten vervoeren, waarin hij overdag aanmechtig van de hitte en 's nachts rillend van de koude nederlag. De reis was treurig, want nergens klonk hem een afscheidsgroet toe van zijne onderdanen, die hoogstens met een nurksch gezicht den voorbijtrekkenden Koning groetten.

Eindelijk naderde hij het Rijk van zijnen broeder, Impulsus, en deze kwam hem aan de grenzen te paard tegemoet, omringd door slechts enkele vertrouwden. Impulsus steeg af, om zijn broeder te begroeten, en deze verliet zijn draagstoel, om hem tegemoet te gaan. Zij vormden een zonderling contrast, die twee Koningen! Quies, prachtig gekleed, maar dik, log, met een bol gelaat en grijze haren; Impulsus, in een eenvoudig kleed gehuld, doch slank, groot, met levendige trekken, gitzwart van haar, bijna nog jong! De broeders omarmden elkander. Daarop steeg Impulsus weder te paard, doch, toen Quies zijn plaats, in den draagstoel hernemen wilde, verzette zijn broeder zich daartegen en wees hem op een schitterende karos, sierlijk van vorm en stevig van bouw, waarin hij hem uitnoodigde de reis voort te zetten.

Sluiten