Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood, de handel, voor zoover hij niet' genationaliseerd is, door gebrek aan waren ten gronde gegaan, de banken zijn genationaliseerd, de particuliere vermogens, voor zoover ze uit effecten bestaan, geannulleerd, vojor zoover ze uit deposito's op de banken bestaan, voor de eigenaars onbereikbaar.

Intusschen werden (bladz. 10) de aan de Regeering ter beschikking staande voorraden steeds kleiner. Steeds was er minder te verdeelen. Om nu althans het proletariaat eenigermate te bevredigen, werd de geheele bevolking- in vier voedingscategorieën verdeeld. Tot de eerste categorie behoorden alléén de fabrieksarbeiders, zij kregen 200 gram brood en eenige andere producten. In de tweede categorie kwamen de regeeringsambtenaren en de beambten van de genationaliseerde fabrieken met 100 gram brood en één haring per dag. De derde categorie, de intellectueele arbeiders der vrije beroepen, kregen 50 gram brood en een haring; de vierde categorie eindelijk, waartoe alle overige burgers, kooplieden e. d. behoorden, moest zich vergenoegen*met een halve haring zonder brood. Bovendien werd gedecreteerd, dat alleen de eerste categorie het recht had in huis te koken, alle anderen moesten hun eten nuttigen in de openbare keukens, die men zich echter niet als de Amsterdamsche gemeentekeukens moet voorstellen. Er werd voor 40 a'50 cent een waterig, van gedroogde, halfbedorven visch gekookte, soep uitgereikt, die ter plaatse uit ongeloofelijk onzindelijkvaatwerk moest worden genuttigd. Voor zindelijke menschen was dit eten onduldbaar en men was dus geheel en al aangewezen op den sluikhandel. Daar deze echter zeer streng, vaak met den dood wordt gestraft, is het begrijpelijk, dat de prijzen steeds sneller in de hoogte gingen. Voor 400 gram brood, een Russisch pond werden ten slotte in het laatst van 1918 reeds 25 a 30 gulden betaald, voor evenveel suiker 50 gulden. Boter kost te Petrograd thans 80 gulden. Het is te begrijpen, dat de menschen bij duizenden de vlucht nemen. Wie dit niet kon doen, wie niet voldoende geld had, moest öf honger lijden óf dienst nemen in het Roode leger.

Vreeselijk zijn de indrukken, die men van den honger in Petrograd en Moskou medeneemt. Als men gezien heeft hoe menschen, zoowel arbeiders als lieden uit hooger kringen, met messen gewapend door de straten trokken en zich op de lijken van den door honger bezweken paarden wierpen, stukken daaruit sneden en als wilde dieren verslonden, of als men de gruwelijke kreten van de in de straten van honger stervenden heeft gehoord, dan heeft men indrukken, die nimmer uit te wisschen zijn."

Wie meenen mocht, dat' Wladimir, onder den indruk van wat hij heeft meegemaakt, onwillekeurig of met opzet een verwrongen, te sterk-gekleurd beeld van den toestand heeft gegeven, wordt van die meening teruggebracht door het volgend rapport,' koud-zakelijk wat den vorm, maar Ontzettend wat den inhoud betreft \

No. 16.

De Heer Alston aan den Heer Balfour, (ontvangen 4 Jan). Telegraphisch.

Wladiwostock, 2 Jan. 1919. Met betrekking tot den toestand in Moskou heb ik volgende infor-

Sluiten