Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

durven berani (= dapper),

erkennen; belijden mengakoe.

eten makan.

filtreeren saring (= filter),

fluiten (op 'n fluit) soeling (= fluit).

id (met den mond) bersioel.

gaan pergi.

naar huis gaan poelang.

binnen gaan masoek.

naar buiten gaan kaloewar.

vooruitgaan madjoe.

achteruitgaan moendoer.

gebruiken pakai.

gelooven, vertrouwen pertjaja. gereedleggen; gereedzetten sediakan, (sedia == klaar). I bëri.

geven <> kasih (op Java), (kasih =

( hef de).

verlof geven bëri idzin.

teruggeven mengembalikan.

kennisgeven bëri tahoe.

achtgeven ingat.

gewend zijn bijasa.

gieten toewang

gooien limpar.

weggooien boewang.

halen ambil.

handelen, handeldrijven berdagang, (dagangan = koopwaar), (orang berdagang = koopman).

hangen gantoeng.

helpen toeloeng.

hoesten batok.

houden van soeka.

huilen menangis, (tangis = geween).

hurken djonkok.

huwen kawin.

nijgen mengeh-mengeh (Java).

Sluiten