Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was nog altijd niet bij de hand — ging zij allereerst haar duiven verzorgen en daarna de honden losmaken, die als dollemannen om haar heensprongen. Wel even had zij in tweestrijd gestaan of zij niet moest bij grootma thuis blijven; zoo innig droef had grootmoeder haar zitten aankijken en wel tienmaal gevraagd of ze 't niet vervelend hier gevonden had en of ze vooral in 't voorjaar terugkwam. Verbeeld je: De Groote Brink vervelend! Ze had zich nu voorgenomen niet den heelen morgen uit te blijven, en dan... vanmiddag zouden ze immers gaan toeren: grootmoeder, moeder en zij. Dan had grootmoedertje haar een heelen middag vlak tegenover zich!

Zij ging nu het schelpenpad naar den vijver; zou maar geen brood meênemen voor de goudvisschen; 't stond zoo kinderachtig en er was ook eigenlijk niet veel aan: een gewoonte, gebleven van toen zij een klein meisje was.

Hoe heerlijk scheen de zon toch tusschen de boomen en hoe stil was het rondom; alleen 't gekwetter van de vogels en 't geluid van dorre blaren en brekende takjes tusschen de struiken ginds, waar Castor en Pollux uit waren op een onderzoekingstocht. Ze had lust luid te zingen, of wacht, ze zou fluiten: grootmoeder was op mijlen afstand, of nee, nu overdreef ze, maar grootmoeder kon zich in elk geval niet ergeren nu en haar voorhouden dat fluiten iets was voor staljongens en jongens van de straat. Tant pis; ze hield wel van staljongens en- jongens van de straat, tenminste... nou ja, houwe en houwe is twee. 't Was maar hoe je het opvatte...

Zij floot; floot de honden, die aan kwamen rennen en floot allerlei wijsjes, danswijsjes (die zou ze nu gauw weêr te hooren krijgen, tenminste... als iemand haar de eer aandeed haar te inviteeren!) en ook wijsjes, die zij had opgevangen in 't dorp — en onderwijl kletste ze nonchalant met haar handen voor zich heen, zoo echt slungelig zich voelend, als een straatkind, 't Was gauw uit: in Den Haag zou ze dikwijls genoeg moeten opzitten en pootjes geven ...

Bij den vijver bleef ze niet lang; 't was zoo'n gladde kom, netjes-rond binnen zijn hellende grasoevers, en dan met die vervelende goudvisschen er in; eigenlijk in-saaie beesten. Wel mooi was er om heen de cirkel van hooge .beuken, reuzen van boomen, móói vooral nu in den herfst. Ze ging kronkelpaadjes door nu, tusschen eikenhakhout; verveelde zich eventjes; dacht: waarom loop ik hier eigenlijk, waarom ben ik niet als een lieve kleindochter bij groot-

Sluiten