Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Annie luisterde niet meer, gaapte even achter haar hand. Kom, ze ging een boek halen; ze was immers nog bezig aan Ferdinand Huyck.

Op haar slaapkamer bleef zij een oogenblik voor het yenster staan; je bekwam hier. Buiten lag de plaats in t blanke licht van de maan, die zij door de donkere boomen zag heen gluren... En weêr drensde even die spijt in haar, nu ze hier stond in 't stille duister van den avond; spijt omdat zij dit morgen alles zou achterlaten...

Toen zij weêr beneden kwam, met het boek, de deur der I zijkamer opende, klonk juist de lach van haar mama luid op. Oom Dolf zat nog altijd te schommelen, hè got, je werd er zenuwachtig van, dacht Annie, terwijl ze naar haar hoekje I ging en op het taboeretje zich neerzette. En terwijl haar ; vingers in het boek zochten waar ze gebleven was, hoorde ze oom Dolf nu minder luid, fluisterend soms bijna.' Haar I moeder, om hem te kunnen verstaan, had haar stoel dichter i aan den zijnen gerukt, zat er nu wat ongegeneerd, met de leuning opzij als steunsel voor haar arm en 't blanke bekertje ! van hare hand, waarin zij haar kin deed rusten. Haar beenen i had ze over elkaar geslagen, en even, van onder de fluweel{ bruine rokgolf uit, gloeide een tipje van haar rood-zijden jupon. Zooals ze daar zat, in de nonchalante stuiving van ï haar blonde kapsel, waaruit haar gezicht met de scherpbewegelijke trekken te voorschijn kwam, deed moeder Annie denken aan de Boileau-platen voor de ramen der Haagsche ; boekwinkels, en tegelijk, als zoo dikwijls, trof haar nu weêr: het meisjesachtige in haar moeder, dat was in haar slanke, iets te ranke, te schrille gestalte, in hare houding, haar gelaat vooral, en in haar lach, die soms klonk als de lach van een nog heel jong meisje. En Annie voelde, dezen avond als nooit te voren, hóe weinig ze eigenlijk in leeftijd scheelden, haar moeder en zij: niet meer dan veertien jaar. En weêr, als dien vorigen middag, vroeg ze zich af: hoü ik van moeder of ben ik... een beetje... bang voor haar? Ach *ee, bang ook weêr niet, maar houden, echt veel, zielsveel hóuden, deed ze toch ook niet. Dat kon ook nooit zoo innig zijn met een tweede moeder... drong zij zich op.

Onwillekeurig, over haar boek heen, was zij weêr op het gesprek gaan letten, waar ze veel niet van verstond, omdat oom Dolf nu zoo gedempt sprak. Het was nog altijd over ooms vroeger leven, vóór zijn komst naar Den Haag.

— Maar die avonden, ma chérie... die avonden,.. Wanneer als een grauwe verveling over mijn papier slooo...

Sluiten