Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Annie had moeten lachen om die plotselinge bevlieging; daar kwam toch niets vanXwist ze vooruit.

's Morgens, na het ontbijt, dat op half negen gesteld was doch meestal niet voor negenen begonnen werd, ontving zij haar lessen — tot twaalf uur. Dan deed ze nog wel vaak met Robert een draaiommetje vóór het lunch; 't was een weelde zoon cavalier te hebben; — of ze ging wat op zijn kamer snuffelen, terwijl Robert — luie meneer — in een makkelijke crapaud lag te gapen, zijn beenen liefst zoo ver mogelijk uitgestrekt. Een massa leuke dingen had Rob op zijn kamer: foto's van bierfuiven... afschuwelijke tronies, om van te droomen; Rob was heusch de beste I —*■ dan krissen aan den muur en typische shawls. Een vooral was een verrukkelijkertje: daar was ze smoor van! een gebattikte lap: een fond van heel teer geel, waarop licht-groen geader; een prachtig patroon. Maar Robert wou die lap niet afstaan —die vooral niet... had hij van uit zijn crapaud een afwijzend gebaar gewuifd. — Waarom die vooral niet... zeker gekregen van een meisje!... plaagde zij, innerlijk dol-nieuwsgierig.

Ze had moeten lachen om de comische manier waarop bij met zijn magere schouders trok.

— Welk meisje zou nu op mij ver lieven I... had zijn tragische grafstem geklonken. — O, dat wist Annie zoo gauw niet; zeker niemand van haar kennissen... toch kon ze zich heel goed voorstellen dat een meisje van een man als Robert houden kon...

Na de koffie — als het tenminste niet de lesmiddag was bij de Heytinkjes — toerden ze meestal een eindje in papa's dogcart, een enkele maal ook per flets. Ze gingen Scheveningen om, dat kaal en ongezellig lag met zijn gesloten villa's en hotels; lieten, als 't mooi weêr was, het paard langzaam stappen op de boulevard om te genieten van het wijde uitzicht over de zee... Annie adoreerde de zee ... ze aanbad haar bijna, zooals ze De Groote Brink aanbad. De leidsels slap in haar handen, zat zij maar diep en langzaam adem te halen, in te halen de frissche, rilde zeetocht. Ook de stilte savoureerde zij. — Hè, hoü toch 's een oogenblik je mond, had ze eens tegen Robert gebitst, die maar al te ratelen zat. Nu je oogen sluiten... en je dan maar te laten gaan... je te voeren laten waar het paard je bracht... onverschillig waarheen...

Of ze reden naar Wassenaar, of naar Leiden. Eens nam hij haar meê om haar zijn „kast" té laten zien. Zijnploertin

46

Sluiten