Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

smokkelde zich, achter het rijtuigje om, weg in den stal. | Caesar, hijgend, stond lobbesachtig te wachten, terwijl mevrouw Hada sprak met den koetsier. Zij leek nog heel jong. jonger dan zij in werkelijkheid was, al was zij eerst dertig; — zóó als zij, slank, voornaam, nu tegenover dien man stond, die, pet-in-de-hand, eerbiedig luisterde, toonde haar blanke teint te blanker tegen zijn groezelig, van veel scheren ruig-blauw geworden wangenvel; werden hare trekken, die niet mooi, te weinig regelmatig, wat te hoekig waren, te geestiger en verfijnder, van een onzegbare piquanterie en toch tegelijk een aristocratische voornaamheid, bij het uitdrukkinglooze, stompe, waarin het gelaat van den proletariër tegenover haar dood lag.

jjj— Kees," ik wilde voor vanmiddag de Victoria hebben om vizites te rijden.

— Best mevrouw... op 't gewone uur dan mevrouw ?

— Jjj... a ... of nee... laat eens zien ; kom liever iets vroeger; kom liever om drie... Begrepen? Dag Kees; kóm Caesar...

^Schutterig greep de man naar zijn hoofd, vergetend dat hij zijn pet al in de hand hield. Beduusd zag hij zijn mevrouw even na, het eindje straat af, tot zij, naast den hond, den hoek omsloeg naar den Vijverberg. Toen nam de man zwijgend zijn gieter weêr op en sproeide. Als een razende sproeide hij het wiel der dogcart van „den gekken Hada" — zooals zijn meester in de stad wel genoemd werd — starend naar de schitter-vonkjes die de zon toover-weefde in 't neêrruischend stralen-boeket. Het groompje kwam weêr te voorschijn gekropen; draaide het wiel...

Zij liep nu langs den Vijverberg, op het schelppad aan het water. Aan de overzij, rood-bruin met zijn vele vensters, blokte de gebouwenklomp van 't Binnenhof, de kartelende dakenlijn scherp bijtend in de blauwe lucht. In het midden van het glanzend watervlak, waarover de zonnestralen in een wemeling van gouden pijltjes schoten, lag het eilandje met zijn naakt-sprieterig gestruikt nu bronzig belicht. In 't perspectief van de bladerlooze allee, waar een enkele bedelaar op een bankje zat, zag zij 't zonnig-opene van de Plaats al, als een witte lichtplek; ginds aan den huizenkant van den Langen Vijverberg, met fletse kleurplekken even vervroolijkend in de vluchtige zonne-uren van den winterschen dag — snorde lichtjes een equipage voorbij.

Onderwijl liep Sophie Hada, Caesar kort aan de zweep

Sluiten