Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lila, andere weêr in heel licht groen, als een transparante zee waarin zij verzonk, verdronk, een heerlijken verdrinkensdood, met vlzioenen van wonderlijke vegetaties en zeemeerminnen die zongen met stemmen als violentonen, hun blanke armen, hun zilverschubbige staarten slingrend licht om haar heen en haar wiegende, deinende, wieglend dodeinende meê in de diepten, de wondervolle kristallijnen, steeds diepere diepten... Tot eindelijk, ruw, de muziek eensklaps zweeg en ze haar zwevende voeten voelde verstroeven op het plankier en haar danser naast zich zag in zijn zwarte jas, met zijn roodwarm gezicht, en de stemmen hoorde van de menschen om haar heen. Dan had ze altijd even dat gevoel van pijn, van heimwee naar al dat mooie dat verdwenen was, en meestal maakte ze zich dan spoedig van haar danser vrij.

Maar Carel van Stralen het zich zoo maar niet afschepen. Na eiken dans dien ze met hem deed bleef hij haar duchtig vasthouden; wandelde met haar de zaal op en neer tot vlak voor een volgende dans begon, zoodat ze haar cavaliers ongeduldig om hen heen zag draaien, ~ of leidde haar naar een der canapé's in een hoek van de zaal, waar hij haar met haar waaier ging zitten bewuiven. En al dien tijd stond zijn mond geen oogenblik stil. Hij vertelde van 't hok: het Gymnasium; van de quibussen van leeraars die ze er hadden; eigenlijk een echte jongen nog, vond Annie; maar toch wel leuk.

Zij dacht aan Fré van Hemert en aan 't bal van verleden jaar. Waarom was hij hier nu niet; hij danste zoo heerlijk en bij was zoo'n snoes! Wat was zoo'n Carel van Stralen bij een man als Fré 1 Een akelig schooljongetje, meer niet...

En dan luisterde ze maar half meer naar Carels grappen! ze vond hem lastig: net een klit, die aan je hangen bleef. Nu ging hij tenminste even weg, een portie ijs voor haar halen. Zij zat in een der wijde vensterbanken en keek de zaal in. De muziek speelde een polka mazurka, en zij becritizeerde de paren die langs haar heen huppelden. Cato van Walsem zag er beeldig uit in haar roze tulle met witte leliën; 't stond mooi bij haar zwarte haar en blank teint. De Heytinkjes gedroegen zich als echte kinderen; Jeannetje sprong haar voorbij met dien langen van Walcheren, die zijn lippen opeen hield geklemd en heel erg zijn best deed. En Jeannetje zoo goedig in haar hoog japonnetje: mevrouw Heytink vond het een doodzonde gedécolleteerd te zijn. Ach hemel, wat was daar nu aanl

Sluiten