Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat was te erg; Martha werd heusch boos op haar broêr. keek met angstige oogen de kamer in, zocht den gastheer. Maar er werd, aan een ander tafeltje, juist een „zij leve hoog, zij leve hoog!" aan Loesje toegezongen, die, dik propje, blozend en warm, van de tafel in een anderen hoek der kamer waar ze met haar ouders en een paar intiemen zat, glimlachend-verlegen luisterde.

En dan hebben we nog een model kaptein

Hola! Heila! Die kent zijn spulletjes o zoo fijn . . .

zette Carel in, en hun tafeltje neuriede meê. Er werd champagne geschonken en Carel stelde voor eens stuivertje te wisselen. Hil kwam naast Annie zitten op den stoel van van Beekenhove.

— Nu gaan we ons gesprek van straks eens voortzetten.

— Welk gesprek? lachte Annie.

— Kom Ans, zou je dat niet weten! Dat van straks immers, in de zaal. Je zat toen aan mij te denken, weet jé nog wel 1... je bent verliefd op me."..

— Ach, wel nee... wat verbeeld je je wel! lachte zij. Hij schoof dichter naar haar toe, legde zijn arm op haar stoel. *• En als je 't niet bent, fluisterde hij, — dan wil ik dat

je 't wordt...

Hij zag haar aan met zijn mooie oogen, en 't was Annie of zij zich vreemd-week voelde worden onder dien blik. Toch trachtte zij nog zich te verweren. — Ik wil niet meer tegen je praten; je bent een vervelende jongen, zei ze boos.

Ze ging zitten luisteren naar een twistgesprek van Martha met van den Honert, die beiden op 't Gymnasium gingen. — Ik vindt absoluut niet dat de vos gelijk had, beslist niet, ratelde de jonge van den Honert. — Als je de overtuiging hebt dat iemand spiert mag je hem toch niet beschuldigen en de les uitgooien vóór je bewijzen hebt. En de vos had geen bewijzen tegen De Fremery, absoluut geen enkel; het was een intens gemeene streek houd ik vol...

— Nee, zoo kan ik het niet inzien, schudde Martha. —■ De Fremery had ...

— Waarom ben je nu zoo, Annie? fluisterde Carel. — Mag ik dan niet van je houden ? Got kind, als je wist...

Zij streefde niét tegen meer; het zaaltje met al die bewegende menschen, de stemmen, 't scheen alles zoo ver, als door een waas, opgelost in den goudpoeierenden nevel van den

Sluiten