Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaf hem, zoo al geen lust den Don Juan te spelen — hetgeen niet in zijn aard lag — dan toch die zekere gemakkelijkheid van conversatie, waarachter zich een aangeboren schuchterheid verborg.

Hij had zich eveneens neergezet en zijn deeltje Charpentier: Verlaine, in een rood-leêren bandje, geopend; met zijn rug tegen een boomstam gesteund begon hij te lezen. Maar telkens dwaalde als van zelf zijn oog van de bladzijden af naar het witte figuurtje op eenigen afstand, half afgewend, als hoorde hij niet in haar gezelschap. En weêr dacht hij: was dat coquetterie of bescheidenheid?...

Er was iets onrustigs in hem, en de regels van zijn dichter toonden als met een somberen klank van weemoed tot diep in zijn ziel.

„O triste, triste ëtait mon ame A cause, a cause d'une femme...

Waarom was hij alleen; waarom was er geen vrouw, die hem het leven rijk en zonnig maakte? Was hij de man dan niet om een vrouw geluk te geven? Schatten van teerheid en toewijding, van fiere, mannelijke kracht ook wist hij in zich — hij snakte er naar die te geven, uit te storten over de gezegende die hem lief zou hebben en die hij lief zou hebben met den zacht-sterken hartstocht van zijn liefde verlangende ziel...

Weêr dwaalde zijn oog naar het meisje dat over haar boek scheen heen te staren in de gulden doorspeelde boschdonkerte. Op hetzelfde oogenblik wendde zij het hoofd om naar zijn kant; hunne oogen ontmoetten elkaar, en verlegen glimlachten beiden.

— Leest u daar een mooi boek? vroeg Annie, om zich een houding te geven; 't was zoo gek dat ze beiden tegelijk naar elkaar gekeken hadden, maar eigenlijk nog gekker dat ze zoo ver van elkaar af zaten: niet Ver genoeg om vreemden te schijnen en te ver voor kennissen, 't Was net of ze gekibbeld hadden — een paskwil I

— 't Is poëzie van Verlaine, antwoordde hij. — Kent u hem? Meteen stond hij op om haar het boek te brengen.

— Kennen ? O hemel neen 1 lachte Annie: — ik ben niet erg gedichterig uitgevallen, veel te prozaïsch I Maar 't was erg onbescheiden van me, zoo te informeeren naar uw lectuur ...

— O, in 't geheel niet. 't Is jammer dat u niet van verzen houdt. Toch wed ik, dat u dit wel mooi zult vinden; mag

Sluiten