Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grijs schimmelmos. Castor en Pollux lagen hijgend naast haar.

Ze waren' weêr met velen geweest van middag op de tennisbaan, zoodat er in de oranjerie heel wat gepraat was en afgelachen. Toch was hij er niet dadelijk bij geweest; een teleurstelling; maar ze had Jet toch niet durven vragen of hij niet kwam. In 't eerste set had zij een beurt met Ru van Meerwijk (die nu weêr Emilie Fockens het hof scheen te maken) tegen Jet en Frits. Het was een innig-vervelend spel geweest, maar dan gelukkig ook gauw uit. Van Meerwijk scheen zijn hoofd vol van Emilie te hebben, of was hij te slap? — in elk geval gaf hij niets dan net-ballen. En zij had ook al geen veine; bijna elke bal dien zij terugsloeg was „out". Het heele spel had haar dan ook geen bal kunnen schelen (gradous me, 'n woordspeling; hoe leuk!) — ze had maar den heelen tijd moeten denken of „hij" nog komen zou en waarom hij niet dadelijk zou gekomen zijn: hoe het een bewijs was dat hij niets om haar gaf... Ze had nijdig de ballen gemept; 't kon haar wat schelen of ze out waren; telkens had ze Jet en Frits triomfeerend hooren roepen: „game!" ... en moesten ze omwisselen. Ze had lak aan de heele boel, zou Robert zeggen. En aan dien Ter Kraane nog het meest van allemaal!

Toen 't set verloren was en ze in de oranjerie terug kwamen had ze hem dadelijk zien zitten; hij sprak met een van de freuletjes Teek. Ze was helsch-jaloersch geweest, omdat ze hen lachen zag: natuurlijk, die Constance was een eerste flirt. Ze had zich even een echt kind gevoeldtoen ze daar zoo stond, nog in dubio waar te gaan zitten, en ze allen om haar heen zag lachen en praten zonder dat iemand op dat oogenblik notitie van haar nam. Maar toen had hij opgezien en haar kant uitgekeken. Dadelijk zag ze aan zijn oogen, zijn hoofdbuiging, dat hij haar eerst nü opmerkte ; nog even praatte hij door met zijn dame; dan stond hij op en kwam naar haar toe. Hij had haar eenvoudig een hand gegeven en haar dadelijk „Annie" genoemd. En toen dat zinnetje gesproken, dat heerlijke zinnetje, waarin ze gevoeld had dat hij van haar hield 1 „Weet je wel, dat dat plekje „op de heuvels" mij sinds gisteren heel lief geworden is ?"... En daarbij had hij haar aangezien met zijn snoezige oogen, zoo sjreelend-vragend, als smeekte hij haar — als een geheimpje tusschen bun tweeën, waarvan niemand,* niemand hooren mocht: „Toe, mag ik nóg eens komen... daar op ons plekje?"...

Zij lag heel stil op haar rug in t mos, hare handen onder

Sluiten