Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

open muil, die gulzig de grootste houtblokken verslond. Van dat ze een klein meisje was, op De Elze, en papa haar in de oude zaal met de schilderijen, in den schemer, zijn fantastische verhalen deed, was Annie dol op een mooi vuur. Als ze alleen was en zich verveelde ging ze dikwijls in Willy's kamer het haardje oprakelen en languit op het perzisch kleedje staren naar de vlammen. Dan zag zij hoe de vurige tongen de houtblokken lijzig omslopen, zich wellustig rekkend als met verliefde armen; hoe het hout dan zwart aansloeg eerst, of met goudige aartjes doorslangeld werd, dan in gloeiende brokken openviel, als wondere kostbaarheden, zwart en onaanzienlijk van buiten, maar met een gouden hart. Ook als Willy zat te schrijven en haar boek haar niet interesseerde, of de leesportefeuille nog niet verwisseld was, lag ze dikwijls voor haar haardje, en dan was het een genot van de vlammen te zien naar hem en weêr van hem naar de vlammen. — Ook Willy werd omstraald van een schoonen schijn, zoodat er eigenlijk niets gewoon of alledaagsch was in de kamer-beslotenheid van zulke stille avonden. Onder de roomige blankte der geel omkapte studeerlamp zag ze zijn lief baardgezicht gebogen over zijn werk. Een zij van zijn profiel werd verlicht; tegen de schaduwen van de kamer zag zij het sterk sprekend naar voren komen met den even-gebogenen neus en de toegesloten lippen, het kleine oor waarvan het lelletje aan 't hoofd zat vastgegroeid — zoo grappig, vond Annie, die op dat oor juist dol-verliefd soms was — en dan zijn baard, zijn heerlijken blonden baard, net den baard van een held uit de opera: Siegfried of zoo iemand... Ze kon soms minuten lang naar hem zitten* kijken, terwijl hij schreef en dus niet op haar lette, geheel weg in zijn werk. Hoe vlug gleed zijn hand over 't papier, telkens een nieuwen regel. Soms ook hokte het even; dan lag de hand eensklaps stil-geschokt en ontsloten Zich zijn lippen, terwijl zijn wenkbrauwen fronsten. Tot hij zijn mond weêr vast toesloot en de hand zich weêr voortbewoog, de pen de regels verder af liep te fluisteren.

Dan werd het haar dikwijls te sterk en sprong zij op, sloeg haar armen om zijn hak en kuste hem, haar schat, haar engel, kuste hem op zijn baard en op zijn mond en op dat grappige oorlelletje, overal, óveral. Hij werd nooit ongeduldig als zij hem zoo midden in zijn werk overrompelde — hij was dadelijk uit al die saaie paperassen bij haar, Annie, zijn mooie, heerlijke vrouwtje, zooals hij haar noemen kon als hij haar trok op zijn schoot en omklemde

Sluiten