Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na dien eenen keer hadden zij dit onderwerp niet meer aangeroerd; zij waren ook niet lang meer in den schemer Wijven zitten, maar naar de huiskamer gegaan, waar het licht waadde.

Heerlijk waren de Zondagen; dan was Willy den heelen dag van haar. Meestal sliepen zij 's morgens lang uit; dan kleedden zij zich aan. met allerlei vieren en vijven voor hun toilet: ze hadden immers geen haast. Hij moest haar helpen een japon uitkiezen, en zij hielp hem zoeken naar een goede das. die bij zijn pak kleurde en ook niet te veel was afgedragen. Hij gaf niet veel om zijn dassen; had gewoonlijk niet veel keus.

Maar eerst het ze meest haar tallooze plagerijen op hem los: gat hem een duw terwijl hij op één been stond om een sok aan te trekken, of kietelde hem in zijn hals. als hij i tTthc™dsmouwf1> voor den spiegel bezig was. Goedig lachte hij dan, liep haar na door de kamer tot ze niet meer Kon, zich hijgend ergens liet neervallen.

Eindelijk goed en wel beneden, aan het ontbijt, maakten ze hun dag-plannen. Als het mooi weêr was wandelden ze s morgens vaak, Omdat zij 's middags moesten contra-vizites doen. Dikwijls liepen ze langs het Kanaal naar Scheveningen; eens. een zonnigen morgen dat er iets voorjaarsachtigs was in de lucht, naar de Waalsdorpsche duinen. Nooit zou Annie die wandeling vergeten. 'tHad 's nachts geregend, en zoo'n wondere geur ontsteeg de aarde; de zwarte boomen aan den zandweg wierookten een rinsche houtlucht: dezelfde bekende Brink" VM Vr0e9Cr' 's wmters bii 9r°otma op De Groote Zoo stil was het temidden der duinen; over de zachtblauwe lucht lagen zilvrige pluimen gestreken, heel hoog; de lucht had haar nooit zoo hoog en zoo wijd en zoo ijl geschenen als dien Zondagmorgen.

Op een zonnig plekje waren ze even gaan zitten: de grond was al droog. Zij sloeg haar arm om zijn hals. Zoo waren ze blijven kijken naar de lucht en de zwarte takken en het geel-grauwe zand. waarop ginds een boerenhuisje kleurde in oud-bruin en grijs en rood. En de schrale winterschheid van het landschap was gaan bloesemen met een vreemde een wondere weelde van schreiensgraag geluk, dat in de lucht zat en in de wazige verte en in den wind, die zoelig hun wangen omstreek. En Annie dacht, hoe heerlijk toch liefde was. dat ze ook

Sluiten