Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heel mooi... die Teixeira de Mattos... heel mooi... Maar... heb jullie hier geen klok, dat dat ding zoo op den schoorsteen staat.

— Jawel... daar in den hoek... een friesche... Willy houdt niet van pendules op den schoorsteen.

— Ach zoo... juist... nu, maar de groep is mooi, heel mooi...

— O! en vadertje, hoe vinje onze paarden dan? Kijk hier, deze Eerelman — da's iets voor jou, hè? Die heb ik van meneer Boudaen, als herinnering aan onze rijpartijen.

De heer Hada plaatste zich voor het schilderij, eerst rechts, toen links; schoof dan de overgordijnen wat open.

— Hm, heel mooi, ja... maar hangt hier slecht, glimt te veel, üche, üche...

— Nou, en ga nu 'es wat rustig in die crapaud zitten en vertel dan 'es wat. Wanneer ben je thuis gekomen? Zeker weêr in 't holletje van den nacht, hè, zooals je gewoon bent, of nee, want dan zou je nu nog niet hier zijn — zoo vroeg.

Meneer Hada vertelde, met korte afgebroken zinnetjes en af en toe kuchend. Hij was gisteren om vier uur thuis gekomen, ja, uit Brussel... had getelegrafeerd aan mama. En zijn eerste werk was nu geweest om haar, Annie, een bezoek te brengen... Ze woonde hier heel aardig ... een aardige buurt, zoo dicht bij 't Bosch ... heel aardig bepaald ...

Hij zat, in de wijde omarming van den crapaud, als weggezonken, klein en mager in zijn flanellen pak; zijn linker been over 't rechter geslagen hing ais een geknakte bloemstengel; het gele arabierenhoofd steunde hij in zijn linker hand, waarvan de arm op de crapaudleuning rustte. En onder 't loslaten van zijn korte, voorzichtige zinnetjes, wat heeschig van klank door het asthma, krauwde zijn vingers in een durende rusteloosheid het gitzwart «gehouden baardje, dat de grillige krulling bewaarde van die mishandeling. Hij hield de oogen neergeslagen naar 't tapijt, terwijl hij sprak; alleen, af en toe, kon hij met een bruusk gebaar het hoofd eensklaps oprichten en zijn dochter aanzien, haar omvangend zóó ineens en heelemaal met zijn blik, dat zij telkens blozend zich af-' wendde. Papa had altijd die manier van kijken gehad, wist Annie wel; als meisje van vijftien, zestien had het haar soms al verlegen gemaakt; papa vond haar aardig, en... papa was een man. Alle mannen keken altijd graag naar aardige vrouwen, al had ze het Willy dan wel eens schertsend verboden. Die goeierd, ze hoefde voor hèm niet bang te zijn;

Sluiten