Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woelde. Nog was hij te onrustig om de ver-strekkendheid van zijn daad geheel te overzien; toch — hij voelde dat ze' ver-strekkend zijn moest; als was iets gebeurd dat onherstelbaar blijken zou.

Verdoemd ... verdoemd...

Als een noodlot was het over hem gekomen, een onheil waarvan hij de sombere dreiging al dagen had voorvoeld... En nu het gekomen was begreep hij niet, dat de slag, die op zijn leven was neêrgedaverd, hem niet meteen had verpletterd, hem en zijn nietig bestaantje... Nu was hij een verloren man ... verdoemd... verdoemd...

In de brutale beklatering der Seinpost-lichten bleef hij nogmaals staan; streek zich over 't voorhoofd. Van uit het gebouw klonk vage muziek tot hem over: een zingende stem, toen uitbundig handengeklap.

Hij grijnsde. Het brullende plebs... toe maar jongens, toe maar I... hitste hij, dazig met zijn stok op de steenen tikkend. Dan slenterde hij langzaam naar het plaatskaarten-bureau.

In de zaal schoof hij met verdwaasden blik langs de rijen toeschouwers. Achter zich hoorde hij fluisteren en lachen: hij bedacht dat zijn hoed nog scheef kon staan, waarom hij hem werktuigelijk een por gaf tegen den rand.

Boven, op de galerij, ging hij zitten op een der laatste rijen, in een hoekje. Begon toen in een gedwongen onverschilligheid om zich heen te zien. Twee winkeljufjes met breed-vlerkige linthoeden en slonzige jacquetjes, aan weerskanten geflankeerd door een heer met wien ze blijkbaar uit waren, keken hem brutaal-uitdagend van terzijde aan, dan een proestlach versmokkelend achter haar smoezelige glacétjes.

Onaangedaan, koud, straal-negeerend de dametjes, gleden zijn oogen verder, de zaal nu in, naar het tooneel, waar een ster van twijfelachtige schittering stond te zingen. Hij verstond de woorden niet; het kon hem ook niet schelen; hij wist niet wat hem hierheen had getrokken, naar deze plaats van duffe burgermans-ontspanning. Hij geloofde dat het 't licht en de menschen waren, het verlangen naar afleiding, bevreesd als hij was alleen daar in 't duister, met de zee, die maar ruischte, en de groote, wijde, drukkende stilte, die toch schreeuwde zijn geheim. Nu had hij afleiding genoeg aan het bont ge wiemei van hoofden en lijven in den rossigen licht» nevel, en de roezemoes van onbestemde klanken drijvend uit dien nevel op hem aan. Het verdere het hem onverschillig.

Hij had een paar vermouths achter elkaar geledigd; een

Sluiten