Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterren. Zwaar lagen aarde en zee te hijgen in den nacht, en hij sidderend, stond als in den greep van de duisternis rond hem öm... Als verzinken voelde hij zich in de ruimte ... Hij gewaarwerd opeens al zijn kleinheid en nietigheid bij de sterke macht der natuur. In z'n reuzegreep hield hem de nacht, hem, zwak, miezig kereltje, dat daags, in 't gewone leven, toch heel wat praats en pretensies had. Toch Was hij niets dan een armelijk brokje van deze natuur: stofje meêbegrepen in 't proces van worden en vergaan... En zij allen: zijn vrienden en kennissen, ouders en zusje, heel dat Den Haag, dat daar ginds lag weggedroomd in nevels... 't was alles begrepen in dat steeds durend proces, die eeuwige omzetting van krachten, waarin het oude, vermolmde, vermaald werd en het nieuwe steeds als een phoenix uit de puinhoopen van dat oude verrees, naar de blinde krachten van het Toeval. Wat was dan de waarde van het leven, als het alles louter Toeval was... Den Haag, stad van zon en licht, van breede straten en trotsche huizingen, stad van rijkdom en luxe, van aristocratische pracht... 't was alles schijn, want over die luxe, dien glans huiverden doodsschaduwen... Hij dacht aan de salons bij hen thuis; waar hij zijn moeder zag neigend en beminnelijk, houdend haar jour... En hij dacht hoe dat alles niets was dan complex van toevalligheid, spel van het lot, dat schaduwde als met vleermuizenvleugels over de lachende hoofden... Nu zag hij zijn moeder dood, bleek en stijf — zij droegen haar uit naar het kerkhof. En hij zag haar in haar kist, onder den grond, van de wormen gegeten, tot stof vergaan... Zoo was het gansche leven een stadige opgang en neergang, stijging en daling... als de rustelooze deining van de zee. In een mesthoop lagen de kiemen tot nieuw leven, maar ook de schoonste bloemen droegen reeds 't bederf in zich... Was Den Haag niet zoo'n schoone bloem, en was zoo'n bloem niet: zijn familie ? ...

Het duizelde hem vermiljoen door den geest, zoodat hij zijn oogen met de handen moest bedekken. Opzij van het strand, tegen een duinhelling, liet hij zich in het zand zakken. Het was of iets, waarvan hij de sombere wetenschap reeds lang in zich had omgedragen, zonder het tot nu toe in zijn volle diepte te hebben kunnen peilen, nu eensklaps in een grelle naaktheid voor hem open lag ~ een naaktheid die hem ontzette...

Het geslacht der Hada's was bezig vermaald te worden... het was de schoone bloem, waarin de worm al knaagde... Hij zelf, hij ging meê in die vermaling, zooals zijn vader, moeder,

Sluiten