Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging zitten lezen, als ze in Den Haag wel deed. Ze had er een in haar koffer: van Gyp, haar door Ada geleend, maar het zou wel in den koffer blijven, vreesde ze, want Willy hield óok al niet van Gyp, Hé... waar ging grootma naar toe ?...

De oude dame, bleek, was opgestaan; scharrelde op hare oude beenen naar binnen. — Ik heb wat hoofdpijn.".. van de warmte... zeide zij. — 'k Ga een oogenblikje naar mijn kamer ... Jelui excuzeert me wel ? ...

In den koelen schemer van de roode zijkamer met de gouden stoeltjes en, boven den schoorsteenmantel, op de plaats van den spiegel, het geschilderd portret van haar man, zonk mevrouw Hada neêr op de canapé, het ritselend briefpapier nog tusschen de vingers. Het Was een brief van Adolf van Stekhoven, den eenigen broêr van Martha, Louis' eerste vrouw, die nu nog voor Louis zijne financiën waarnam. Met enkele korte, besliste zinnen schreef hij aan de moeder van zijn zwager, dat Robert, haar kleinzoon, aanzienlijke sommen met spelen had verloren; dat hij overal schulden had: in Leiden, in Den Haag. Hij schreef hoe Louis'financiën verre van rooskleurig waren; dat Louis, momenteel, onmogelijk in staat was de schulden van zijn zoon te dekken; het moederhjk erfdeel van Robert ook was zoo goed als verdwenen. Wilde de familie niet in groote moeilijkheden komen, gedwongen worden zich sterk te bezuinigen, dan zou er niet anders op zitten dan dat zij, Louis' moeder, voor de schulden van haar kleinzoon opkwam, en het was dan ook in dien zin dat hij haar dringend wilde advizeeren. Wat den jongen betreft — hij, Dolf, zou hem thans dwingen binnen den kortst mogelijken tijd af te studeeren; met de protectie die hij had zou hij jn Indië dan wel een plaats kunnen krijgen.

De oude mevrouw zat beel stil, als getroffen door een slag. Al vele malen had zij Robert geholpen, met kleine sommen, nu eens en dan eens ... in het gevoel dat haar geld toch later zijn zou het geld van Robert en van Annie... Nog nooit echter had van Stekhoven er zich mede bemoeid; 't was altijd Robert zelf geweest die haar schreef. Zij had steeds gemeend dat het een zaak zou blijven tusschen haar kleinzoon en haar, een zaak die haar verdriet deed, heel veel verdriet, maar een zaak toch die zij overzag, die zij, als het ware, in de hand hield. Zij had steeds het gevoel gehad hoe, zoo lang het een zaak bleef tusschen Robert en haar, heur kleinzoon nooit zoo ver zou kunnen afdwalen dat

Sluiten