Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het mondje, of — wakker — in haar box met hare groote oogen haar lag aan te staren, tot het mondje met de enkele randjes reeds, zich sperde tot een lach.

— Mijn kind, wat zal er van jou worden ?... dacht Annie dan vaak. «*< Zal je het geluk kunnen grijpen, of zal het leven je teleurstellingen brengen; het leven dat zoo mooi lijkt en toch nooit bevredigt wie er naar grijpen...

Dan kon ze soms tranen in de oogen krijgen bij het denken aan 't lot van haar kind. Annie verwonderde zich in die dagen vaak zelve over den loop harer gedachten; het scheen haar of een ernst was gezonken in hare ziel, welke zij te voren nooit gekend had, zij die gewoon was luchthartig over de dingen des levens heen te loopen, in het optimisme van hare gezonde jeugd. Evenals zij dat een enkele maal wel als jong meisje had gehad, moest zij nu soms eensklaps denken aan den dood... maar ook dat denken was ernstiger, niet 'meer omcierd met de romantische fantazieën over een „mooi" dood-gaan.

Hoe vreemd ... dacht zij soms. Zou ik spoedig sterven ?...

Het beangstte haar niet en zij verwonderde zich over hare kalmte. Dikwijls dacht zij over wat er zijn zou nè den dood. Was het waar dat er een leven was na dit leven, en zoo ja, hóe zou dat zijn? In de kerken sprak men er van, maar zij was in de laatste jaren in geen kerk geweest: het laatst met Carolientjes doop, en dat was geen gewone kerkdienst. Vroeger, als jong meisje logeerend bij grootma op De Groote Brink, was ze er wel heengegaan om grootma te pleizieren. Zij zelve hield niet van kerken, van godsdienst; zij begreep het niet en vond het vervelend. De Hada's waren niet vroom, nooit geweest... alleen grootma, en die was van zich zelve een De Beuckelaer. En grootmoeder hield ook al niet veel van kerken, ging er maar heen „om het voorbeeld* te geven" aan haar koetsier, haar tuinman, de menschen uit het dorp. Grootma zat liefst stil te lezen in Thomas a Kempis: De Navolging van Christus. Zij, Annie, had er ook wel eens in gelezen: eens toen zij, als jong meisje, een exemplaar van grootma gekregen had en niet onbeleefd wilde schijnen, en eens in haar huwehjk, op een regenachtigen morgen, toen ze zoo gauw geen ander boek had kunnen vinden. Het boekje lag boven in een kast.

Op een middag was zij het gaan halen; wilde zien of er wat in zou staairover den dood. Zij bladerde, zocht in de inhoudsopgave en vond als Drie en Twintigste Hoofdstuk een Overdenking des Doods. Zittende bij de box

Sluiten