Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

greep. Haar hand streek langs het ruw-zacht moquette der stoelbekleeding, terwijl het weêr was of zij werd losgemaakt van 't heden-oogenblik en zweefde in een ijler sfeer boven de dingen uit: haar huis in de Nassau Odijkstraat... Willy ... Carolientje ... die wegdreven in den nevel... ver werden en vaag... Nu was hét of zij lag in een bosch, naast Fré; de dennentoppen boven haar hoofd stonden roerloos tegen het blauw van de lucht, doch van verre klonk een geruisch aan, suisde het aan en aan, als zeeêgolven... tot de roerlooze toppen vlak boven haar ook meê te wiegen begonnen, wild te wiegelen, zwiepend op de lange masten ... totdat het weêr wegruischte, wegsuisde, verder en verder ... en de toppen weêr roerloos stonden tegen het blauw ... Zij keek naar Fré. Zij zag hem liggen in zijn zwart-en-roode huzarenuniform, naüwspannend om zijn lichaam. Zij zag zijn hoofd op het mos, met de donkere knevels, en de roode lippen half-open. En zij zag zijn oogen die keken, keken naar haar, altijd maar keken, kéken... zóó keken dat zij te beven begon over al hare ledematen; dat het bloed in haar polsen en slapen ging kloppen en in haar keel, die droogschroeiend slikte. En opeens lag zij naast hem, knelden zich haar armen om hem heen, zoenden hare lippen hem woest, wild, vol dolle begeerte ... Tot zij een moeheid in zich vloeien voelde, als een loomend vergif — zij haar armen niet klemmen meer kon, ze als levenlooze lamme dingen vielen langs haar lichaam ... Als een doode lag zij in het mos van het dennenwoud ... en de wind suisde weêr aan, van heel ver, en de toppen begonnen weêr te waaien, te zwaaien op hun gulden masten ... tot hij weêr weg voer, als op ruischende wieken... naar verre bosschen ginds... en 't weêr stil werd, heel stil... dóód-stil...

Annie lag in de kamer, in de crapaud; boven, vaagjes, hoorde zij Carolientje schreien. Zij streek zieh langs het voorhoofd. Heb ik gedroomd, of... of is Fré er werkelijk geweest ? Heb ik hem gekust en ben ik daarom zoo moê ... zoo moê...

Neen, Fré was er niet geweest; eergisteren, toen was zij geweest op zijn kamer, en toen had ze zich óók zoo gevoeld als nu, en als vroeger al eens: zoo moê, zoo vreemd-leêg, net of er een gat in haar hoofd was...

Willy ? Willy was naar Rotterdam; straks had zij alleen koffie gedronken. Ze hield van Willy; ze hield méér van Willy dan van Fré. Waarom brak ze dan niet met Fré? ...

Ze zag er slecht uit, zeiden de menschen; Willy had al een paar maal den dokter willen laten komen; verbeeld-je: den dokter 1

Sluiten