Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze werd oud en ze werd leelijk, geloofde ze. Arme Willy; wat had hij aan een leelijke, oude vrouw. Toch wilde ze graag jong blijven; ze was toch ook jong immers; andere vrouwen van haar leeftijd waren nog jong-meisje, nog kind haast; mochten nog genieten als kinderen ... als kinderen... Zij — was al lang geen jong-meisje meer; zij was een ouwe, moeë vrouw, die een liaison had; die haar man bedroog... die nooit, nooit, nooit een goede moeder voor haar dochtertje zou kunnen zijn...

Ze begon zachtjes te schreien; hare tranen drupten langzaam af op den stoel waartegen haar hoofd lag. Een verlangen naar den dood was in haar. Als zij dood was, dan kon Willy met een andere vrouw trouwen, een, die een goede moeder voor haar dochtertje zou zijn. Zij, ze was haar kind niet waard. Zij was een Hada, een dochter van... o got, o got, zij wilde niet denken aan dat vreeslijke dat Robert haar verteld had... van papa... Robert, die geweest was in Parijs... die alles ontdekt had I Zij. zij had het bloed van papa ... het vergiftigde bloed, o got, o got 1...

Zij gleed van den stoel af op den grond, krabde met haat nagels in 't karpet, krabde er het stof uit. En hare lippen murmelden maar: o got, o got, heb medelijden — o got 11

Dan eindelijk voelde zij een wonderlijke kalmte in zich neerzinken; zij stond op en ging naar een der ramen, schoof dat even open en duwde een blind weg. Hel stroomde zonneweelde in de kamer.

Zij trad langzaam op den spiegel toe en keek. Haar gelaat onder 't blonde kapsel zag zij bleek, met donkere schaduwen om de oogen, die wijd-groot haar aanstaarden. Op dat witte gezicht was haar mond als een fel-roode streep, een bloedstriem.

En van den spiegel weggaande dacht zij: hoe vreemd... ben ik dat? Zij kende zich zoo niet. Het was of een ander daar had vóór haar gestaan...

VII

Met een suizende vaart snorde de auto over 's Heeren wegen. Sophie Hada, van onder de groote autopet met de stofvoile, knikte Annie toe in *t genot van den rit, het genot van het zoele voorjaar dat haar langs de wangen streek, van de zon die de lucht befeestte als met tintelende goudvaantjes, de hooge zeilende wolken doordrenkte van licht.

Ze waren Leiden al door, scheerden langs de groene bermen

Sluiten