Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik stil stond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging vlak voor mij heen. Iets in 't geluid misschien — een log en toch bijna geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis in staat is — ook misschien, iets van een Hauwen geur, die er eerst niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads vermoedende hertje te besluipen. Hij wist — zooveel hadden zijn ooren hem wel verteld — dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder was afgeraakt. Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug — ofschoon Mooween eigenlijk nergens op let, als zijn wild op de been is — en snelde naar mijn kano om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, maar ik was er nog nooit eerder 's nachts zoo laat een tegengekomen, en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles hangt trouwens van uw gemoedsgesteldheid af, wanneer ge een dier nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; en doet ge het vlug, zwijgend, onver-

Sluiten