Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISMAQUES, DE VISCHAREND.

OEWIT, oewit, tsjwie? Oewit, ocwit, oewit, tsjwie-ie-ie! zoo klonk gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch in 't oog kreeg — een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik mijn zwartvisch*) wegborg om ze voor berenaas te gebruiken — schoot hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat klaarspeelde. Als de torellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik geen nikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg met een aanmoedigend k wie-ie!—dat is zooveel als „goede vangst" van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen, als gij een dikkerd ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit het nest, waar zijn jongen om eten

') Blackfish of Tautoga Americana.

Sluiten