Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scherp fluitje van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen; en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.

Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de rotsen in 't oog. Pip, tsj'wie-ie! floot hij, en daar schoten ze me met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik daar doodstil tusschen de rotsen zat. Pip, pip, pip, hoezee! klonk schril hun gefluit onder het dalen. Maar ik en mijn visch voorraad waren het eerste geweest, wat de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord had: Tsjip, tsjip, tsjip! Tsjip! Tsjip! — en die eiken keer, als zij hem weer slaakte, schriller en scherper werd, tot zij er op letten en omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.

En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd maar in de rondte, ziet een

Sluiten