Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik vertel deze drie verhalen — van den patrijs, van het hert, van den vos — en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel bewijzen zijn, dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur; zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, als de takken van eschdoorn en lederhout *) tijdens de Noorderstormen diep onder de sneeuw begraven zijn.

Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken, en

') Oirca palustris.

8

Sluiten