Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de landtong, zoo vlak bij, dat ik, als ruischen van zware zij, het flauwe geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hoogen boomstomp te ontgaan, die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten Zuiden van de landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken, dat zich boven hem sloot. Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats, waar hij tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was, goed in het geheugen en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene va-

Sluiten