Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZOON

Kon ik nog eenmaal, vader, wederkeeren Ten koelen vrede van uw noodend huis, Kon ik nog eenmaal, als de zoon huns heeren, Vorstelijk schrijden door het noest gedruisch

Der slaven, die, gezwind, uit schuur en stallen, Luidruchtig, aan den zwaren arbeid gaan, En hun verdriet in lach laten verschallen En joelend hun verlangen wederstaan.

Hoe vaak ging ik in zij van zachte kleuren Voorbij de lompen hunner slavernij. En aan de zoele wolk van fijne, geuren Vermoedden zij 't, of 'k droevig was of blij.

En riepen: heil! of stonden ver te beven. En staakten plots hun werken en getier, En vreesden voor hun arm en angstig leven. En loerden als 't in 't nauwgedreven dier.

En ik, bevangen van hoogmoedigheden, Hoorde niet op hun groet en jokkernij. En spotte met hun sprakelooze beden, En nam mijn kleedren saam en ging voorbij.

Sluiten