Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waanzin van het salueeren aan een treffend voorval te demonstreeren. Een milicien van de lichting '17 is 14 dagen in dienst en heeft al dien tijd in een hospitaal doorgebracht. Op een morgen wordt hij onder geleide van een korporaal in Den Haag naar den dokter gebracht. Onderweg passeeren zij overste Merens, adjudant van den opperbevelhebber. De korporaal salueert, de milicien natuurlijk niet.' De overste stevent op den jongen af en vraagt of hij niet weet, dat-ie salueeren moet. Beteuterd antwoordt de milicien: „Neen luitenant" en krijgt daarop een klap om zijn kop, dat zijn képi afvliegt. Kleerekoper geeft een sober en eenvoudig relaas van de feiten onder gespannen aandacht van de burgerlijke partijen, die hopen uit het gedrag van den milicien een verontschuldiging voor het wangedrag van den goudkraag te kunnen distilleeren. Daartoe krijgen zij echter, blijkbaar zeer tot hun leedwezen, geen kans. Er blijft minister Bosboom dan ook niet anders over dan het optreden van den overste onomwonden af te keuren en daaraan toe te voegen, dat die hoofdofficier in een andere functie is geplaatst, hetgeen beteekent dat-ie zijn baantje als adjudant van den opperbevelhebber kwijt is. Zijn traktement gaat natuurlijk door, zijn rang houdt hij en op zijn beurt wordt hij bevorderd tot kolonel.

1 Februari 1918 hekelt Mendels nog eens de schandelijke toestanden van de provoosten, waarin militairen, verdacht van een strafbaar feit, worden gehuisvest. Hij heeft de provoosten in de Amsterdamsche kazerne bezocht en doet mededeeling van zijn bevinding. Hij protesteert krachtig tegen de ongelooflijke rechtsverkrachting, gelijk

Sluiten